Nieuwsbrief 1                                                                                                                                           Hit Counter



WERK der EEUWEN: op zoek naar ons cultureel erfgoed.

Hallo bezoeker, welkom op deze website.

Wij mensen van de 21e eeuw zijn gewend aan onze rijk gevulde supermarkten, uitpuilende klerenkasten, behaaglijke huizen, luxe auto's, verre reizen, computers, smartphones en nog veel meer.

We kunnen ons wel eens afvragen hoe het allemaal zo gekomen is. Vernieuwingen kwamen de laatste eeuw snel achter elkaar en veranderden telkens ons leven.                                               Vroeger was dat anders en bleef alles lange tijd hetzelfde.

Waarin verschilde het leven van onze voorouders in allerlei tijdperken van ons leven?                                                               Hoe wisten zij te overleven en hun bestaan zelfs te veraangenamen? Ben je daar nieuwsgierig naar?

Dan is deze website zeker de moeite van het bekijken waard. Hij is vooral gericht op leerlingen van de bovenbouw van het basisonderwijs en leerlingen van het voortgezet onderwijs. Maar iedereen die geïnteresseerd is in het leven van mensen in vervlogen tijden, kan veel van haar / zijn gading vinden. Anders gezegd, met 'Werk der Eeuwen' kun je op zoek gaan naar het cultureel erfgoed van Nederland en omstreken. Je zou ook kunnen zeggen, het spoor volgen van soep uit de kookpot naar kant en klare magnetronmaaltijd, van beestenvel naar slim jeans en chiffon blouse, van vuurstenen bijl naar kettingzaag, enz.

Je kunt bekijken welke uitvindingen er nodig waren om het dagelijks leven telkens weer te veranderen, te verbeteren. Maar ook kun je veel te weten komen over allerlei gebruiken die te maken hebben met leven en dood, spelen en leren en de sporen die mensen achterlieten en -laten. Het is interessant te zien dat sommige van onze gewoontes al heel oud zijn. Dit alles heeft te maken met veranderingen in de cultuur. Om al die culturele veranderingen tot stand te brengen is door heel veel mensen door heel veel jaren heen heel veel werk verricht. Daarom is de naam van de website dan ook:

                                  WERK der EEUWEN.

Er zijn zes panelen gemaakt (zie hieronder) met daarop afbeeldingen die verwijzen naar culturele vernieuwingen in de loop der eeuwen. In de loop der tijden veranderde er telkens weer iets. De gebruiker van de website hoeft alleen maar het gewenste paneel aan te klikken en hij / zij komt op een overzicht. Dan kan er weer gekozen worden uit acht onderwerpen, te weten: Voeding, Kleding, Wonen, Techniek en vervoer, Spelen en leren, Leven en dood, Sporen en Canon van Nederland. Zoveel mogelijk afbeeldingen zijn voorzien van geschikte hyperlinks naar websites en (Youtube) filmpjes. De gebruiker kan van daaruit vaak weer doorklikken naar nog meer informatie. Lees hiervoor goed de onderstaande tips.

Heel veel mensen houden zich bezig met ons cultureel erfgoed, zoals oud speelgoed, klassieke auto's, oude muziek, stoomtreinen, zeilschepen, oude ambachten en gereedschap, restauratie van oude gebouwen enz. Te veel om allemaal op te noemen. Bekijk daarom:  http://cultureel-erfgoed.startpagina.nl/ als je een overzicht wil. Ook de talrijke musea in Nederland worden niet vergeten. Ik heb zoveel mogelijk de leukste filmpjes over en websites van allerlei activiteiten opgespoord, maar er zijn er vast nog wel vergeten. Wanneer iemand nog een geschikte link weet dan ben ik blij met een tip: werkdereeuwen@ziggo.nl

De getoonde panelen zijn eenmalig vervaardigd door mij voor basisschool de Hoeksteen in Roden. Wanneer andere scholen belangstelling hebben zal ik een 'bouwpakket' met handleiding samenstellen waarmee een groepje vrijwilligers in ongeveer veertig werkuren het karwei kan klaren: werkdereeuwen@ziggo.nl  /

Hendrik Kouwenberg, Nietap

 


 
 

                                                                                  Zo zien de panelen eruit.  Met excuses voor de vertekening.

                                                

                                               

LEES EERST DE TIPS HIERONDER !  

 

1. NIEUWE STEENTIJD  Paneel 1 2. BRONSTIJD IJZERTIJD
Paneel 2
3. KELTEN, GERMANEN, ROMEINEN
Paneel 3
4. MIDDELEEUWENPaneel 4 5. UITVINDINGEN en ONTDEKKINGEN Paneel 5 6. AUTOMATISERING en DIGITALISERING Paneel 6


FLITS DOOR DE TIJD LANGS ZES PANELEN EN ZIE HOE DE MENSHEID VOEDSEL VERZAMELDE, ZICH KLEEDDE, WOONDE, VERVOERDE, KNUTSELDE, SPEELDE, LEERDE, VEREERDE, MET LEVEN EN DOOD OMGING EN FEEST VIERDE.     


Paneel 1             NIEUWE  STEENTIJD


1.01
Wilde planten
1.02
Hazel-
noten
1.03
Korenveld
1.04
Hond
1.05
Veeteelt
1.17
Pijl en
boog
boy161.gif
1.06
Hunebed-
bouwers

1.07
Oerrund
1.08
Huiden
1.09
Wol
verven
1.10
Spinnen
weven
1.11
Benen
kam

1.15
Vlas
1.16
Weefgewicht
1.12
Hut, takken,
riet
1.16
Huis
   
CHARIOT.gif 1.13
Vuurstenen
gereedschap
1.14
Constructie
1.18
Pijl  en
boog
1.20
Boot
1.21
Vlechtwerk
1.22
Dieren-
bot
1.23
Fluit,
zoemkoord
1.24
Graan
malen

1.25
Kaart-
weven
1.26
Touwtjes-
spel
 
1.27
Moeder
Natuur
1.28
Heiligdom
1.29
Heilige
dieren
1.30
Kwade
machten
Vleermuis
1.35
Sjamaan
1.32
Vuursteen-
mijnen
Rijckholt
1.33
Verkoolde
zaden
1.34
Beeldje
Haringvliet
CANON 1.31
Hunebedden




ZES PANELEN BOORDENVOL INFORMATIE BEGINNEN HIER!

De panelen 1 en 2 vormen samen de préhistorie. Het huis bijvoorbeeld is geplaatst in paneel 2, maar zou ook in paneel 1 kunnen staan.

1.01  WILDE PLANTEN

In de prehistorie stonden de velden en de bossen in Nederland vol met allerlei planten. Ze groeiden overal. De eerste mensen die hier kwamen wonen kenden ze allemaal en wisten precies welke eetbaar en welke giftig waren. Ze verzamelden de bladeren, de stengels, de wortels en soms de vruchten.

Nog steeds groeien er in Nederland veel wilde planten die eetbaar zijn.

Bekende voorbeelden zijn: Bramen, brandnetels, paardenbloem, lisdodde, zevenblad en ganzenvoet. Ook het blad van de linde is eetbaar. Verder aten de mensen vroeger bessen en paddenstoelen. Sommige planten zijn geneeskrachtig, zoals brandnetel en weegbree.

Op nevenstaande link kom je alle eetbare planten in Nederland tegen.

EET NOOIT ZOMAAR WILDE PLANTEN,WANT JE WEET
NIET OF JE PER ONGELUK EEN GIFTIGE PLANT NEEMT!

   

    

Brandnetel                  Lisdodde

 

1.02 HAZELNOTEN

In veel bossen groeien hazelaars. Elke herfst vallen de heerlijke, gezonde en voedzame hazelnoten op de bosbodem. De mensen in de prehistorie verzamelden er zoveel mogelijk in manden, want ze blijven makkelijk een jaar goed. Op de website hiernaast kom je veel te weten over deze fantastische struik.

 

1.03  KORENVELD

Met heel veel moeite lukte het de mensen in de prehistorie om een stukje bos te veranderen in een kale akker. Het is niet bekend of ze de grond al vruchtbaarder maakten met de mest van hun eigen vee, maar het is wel waarschijnlijk. In het voorjaar zaaiden ze hierop heel zorgvuldig de graankorrels uit. Er was eenkoorn, naakte gerst en emmertarwe. Die akkergewassen kwamen oorspronkelijk uit het Midden Oosten. Aan het eind van de zomer konden ze dan de halmen afsnijden en in schoven plaatsen. In de herfst moest er gedorst worden. Dan sloegen ze met een dorsvlegel de graankorrels uit de aren. De korrels werden bewaard in potten of manden die in de spieker gezet werden zodat de muizen er niet bij konden. Ook erwten en bonen werden er verbouwd.

 

                                                                                    Eenkoorn                         Paneel  ∆  

 

Akker met spelt

1.04 HOND

Al in de Midden Steentijd hadden mensen jonge wolven gefokt en afgericht als helper bij de jacht. De honden volgden een geurspoor, dreven het wild op en haalden neergeschoten ganzen uit het moeras of het meer.  Een trouwe hond verdedigde de kudde en bewaakte het kamp of de nederzetting. Op den duur zagen tamme honden er anders uit dan de wilde wolven.

 

1.05 VEETEELT

Op een keer in de geschiedenis hebben mensen kans gezien om een aantal wilde schapen en zwijnen tam te maken. Ze gingen voortaan zelf schapen, geiten, varkens en later ook runderen fokken, zodat ze snel vlees voor de maaltijd hadden. Nog weer later volgden de paarden. Het lukte ook de dieren te melken.

In plaats van de kuddes te volgen en te jagen trok een groep mensen voortaan als herdersstam met de kuddes over de vlakten in Azië en het oosten van Europa.

Doordat de herders fokten met de dieren die daarvoor het meest geschikt waren verschilden de tamme op den duur steeds meer van de oorspronkelijke wilde dieren. Zo zijn de dierenrassen ontstaan.

   

 Heideschapen                                                                                        Paneel  ∆

 

1.06  HUNEBEDBOUWERS       

De mensen van de Trechterbekercultuur,  die de hunebedden bouwden, hebben er waarschijnlijk zo uitgezien. Ze gebruikten leer, bont en geweven kleden.

Hunebedden

Hunebedbouwers (poppen in het Hunebedcentrum Borger)

1.07 OEROS    

Het enorm grote oerrund heeft vanaf het einde van de laatste ijstijd eeuwenlang in de dichte bossen en langs de drassige rivieroevers van Europa en Azië geleefd. De dieren leefden in kuddes, maar de stieren kwamen pas in de nazomer de koeien dekken en leefden verder op zichzelf. Toen de mensen steeds talrijker werden gingen ze ook meer op het oerrund jagen dat op het laatst is uitgestorven.

 

Teruggefokt oerrund                                Afb. laatste oerrund (Polen)

1.08 HUIDEN  LEER  

Leer wordt gemaakt van dierenhuiden. Vooral de huid van grote dieren was veel waard. Eerst moet de huid worden losgesneden van het dode dier (villen) en daarna moest de binnenkant helemaal worden schoon geschraapt met een vuurstenen mesje (vlezen). Om de haren aan de buitenkant eraf te krijgen werd de kletsnatte huid over een rek gehangen om te broeien in de zon. Na enige tijd moesten de haren worden afgeschraapt. Om de huid niet te laten bederven moest hij ongeveer een maand geweekt worden in een kuil die gevuld was met water (urine) vermengd met eikenschors (run of eek). Daarna kon hij nog worden gewalst met een ronde steen en gedroogd worden. Dan pas kon je er iets van maken, schoenen, riemen of een mantel. Bont werd gemaakt van de huid van pelsdieren zoals bever, otter of vos. Tot in de 20e eeuw werd leer zo gelooid, al gebruikte men later natuurlijk ijzeren gereedschap.

     

Huid van everzwijn                                                           Gespannen pels  Paneel  ∆

 

1.09  WOL VERVEN

 Sommige planten hebben wortels, stengels of bladeren waarvan je kleurstof kan maken. Die plantendelen werden verzameld, schoongemaakt en fijn gehakt. Daarna werden ze een tijd gekookt. Als het water kleurde werden de kluwens garen erin geweekt tot ze ook kleurden. Daarna werd het garen gedroogd en kon het geweven (of later, gebreid) worden.

Rood: kleefkruid, zuring, meekrap

Blauw: vlierbessen

Geel: boerenwormkruid, goudsbloem, klein hoefblad

Groen: brandnetel en vlierbladeren

Bruin: jonge braamscheuten

Zwart: de wortel van moerasspirea

Pas na 1850 lukte het om kunstmatige kleurstof voor textiel in
een fabriek te maken.

Website               Paneel  ∆

Wol verven met plantaardige verf  (Legia in ijzertijdmuseum Dongen) 

1.10  SPINNEN  WEVEN

Schapenhaar heeft schubjes, waardoor het goed gesponnen kan worden.

Als een schaap geschoren is beschik je over een vettige en warrige dot haren. Hoe moet dat ooit een kledingsstuk worden?

  • De wol wordt gewassen in warm water.
  • De wol wordt gekaard (in één richting gewreven) met een kaardborstel / kaardplank en soms nog gekamd.
  • De wol wordt gesponnen tot draden. Hiervoor is een spintol (klos) nodig. De draad wordt op een spinrokken gewikkeld.
  •  De wol wordt geverfd.
  • Twee draden worden in elkaar gedraaid / getwijnd.

De draad kan geweven worden op een weefraam. In latere tijd vond de uitvinding van het weefgetouw plaats.

 

 

 

  NTR

Kaarden (Legia ijzertijdstudie in ijzertijdmuseum Dongen)

1.11  BENEN  KAM

Van geschikte beenderen konden de mensen met eindeloos geduld een kam vervaardigen met behulp van een fijn vuurstenen mesje en een boortje.


1.12  HUT TAKKEN RIET

Met niet al te dikke takken , riemen, touwen en riet kun je al een mooie hut maken. Ze werden gemaakt door de bosbewoners die nog niet aan landbouw deden. Natuurlijk maakten ze ook tenten van aan elkaar genaaide huiden en palen.

1.13  VUURSTENEN GEREEDSCHAP

De beste vuursteen werd opgegraven uit de vuursteenmijnen (Rijckholt, Zuid Limburg). Stenen uit de rivier of opgeraapt van de grond waren vaak verweerd en er zaten veel barsten in.

Een mooie vuursteen werd beklopt met een slagsteen of een stuk bot / gewei om er stukken af te slaan. De afslagen heten klingen. De kernsteen werd meestal tot bijl bewerkt. De klingen werden messen, schrapers, beitels, naalden of pijl / speerpunten. Een goede vuursteensmid was een belangrijk persoon. De mijnwerkers moesten diep onder de grond in de tunnel in het (bijna) donker de vuursteenknollen loswrikken en naar de schacht vervoeren waar de volle mand werd opgehesen.

 

                                Paneel  ∆

1.14  CONSTRUCTIE   

 Met behulp van hun vuurstenen gereedschap konden de mensen palen en stokken op maat maken . Ook konden ze gaten boren met een boogboor. Daardoor was een pen-gat verbinding mogelijk. Met riemen en touwen werden de palen aan elkaar bevestigd.

 

 

1.15  VLAS   

Net als de graansoorten kwam de vlasplant uit het Midden Oosten. De lange stengels moesten eerst een tijdje rot (t)en in het water, daarna werden de vezels gesponnen en getwijnd (in elkaar gedraaid). Op een weefraam werden mooie kleden vervaardigd, die als kleding gebruikt werden. Ook touw wordt tot op heden van vlas gemaakt. De zaden van het vlas bevatten veel olie en zijn heel gezond. Die olie is heel geschikt om mee te braden en om te smeren.

 

 

1.16  HUIS

Een huis / boerderij wordt gebouwd:

  • De plattegrond wordt uitgezet

  • Er worden houten palen opgericht en in de grond ingegraven (staanders). De staanders in het midden zijn een stuk langer dan de palen aan de zijkanten.
  • Die palen worden horizontaal verbonden met dunnere palen (gebintbalken). De gebintbalk in het midden heet nok.
  • De nok wordt met de andere gebintbalken verbonden door spanten.
  • Het dak wordt afgewerkt met riet.
  • De muurtjes bestaan uit paaltjes waartussen wilgentenen gevlochten worden. De openingen worden dichtgesmeerd met leem of klei.
  • In de loop der jaren groeit er klimop overheen en groeit er overal mos.
  • Na ongeveer twintig jaar is het huis zo slecht dat het wordt afgebroken. 

 

 

1.17  WEEFGEWICHT

Het eenvoudigste weefraam is gewoon een horizontale tak aan een boom ongeveer op ooghoogte. Je moet dan wel de scheerdraden verzwaren om ze strak te spannen. Blijkbaar bonden de wevers in de Steentijd aan elke draad een stenen gewichtje met een gat erin. Soms worden die opgegraven.

Weefgewicht                                                                         Paneel  ∆

1.18 PIJL EN BOOG  

Niemand weet wanneer de mens voor het eerst een pijl en boog maakte. Om een goede boog te maken moest je een geschikte tak van iepen- of essenhout nemen en die zo bijsnijden dat die in het midden het dikst was. De beste boog werd gemaakt van spinthout, de kern van de tak. Pezen van grote dieren, of gevlochten draad, goed ingesmeerd met bijenwas dienden als snaar. De pijlen werden van essen- of dennenhout gemaakt. De takken werden geschild en gesneden tot ze volkomen recht en glad waren. Het ene uiteinde werd gespleten en in de spleet werd de vuurstenen punt vastgemaakt met houtteer en een dunne draad. De punt kon puntig, maar ook stomp of beitelvormig zijn. Een stompe pijl beschadigde de huid van een pelsdier niet en een beitelvormige punt sneed de slagader van een rund of een hert door.

 

 

 

1.19  VUUR MAKEN  

 Door de boog heen en weer te halen en te drukken op het stokje ontstaat er wrijving. Het wordt zo heet dat pluisjes of gedroogde zwam vlam vatten en gaan gloeien. Nu moet er geblazen worden, zodat er kleine vlammetjes ontstaan. Voorzichtig schuif je gedroogd mos, kleine takjes e.d. erbij. Al gauw is er vuur.

Vuur maken lukt soms ook door vuurstenen tegen elkaar te slaan.

Boven het vuur kon aan een driepoot een  zakvormige dierenhuid
gehangen worden die met bouillon, vlees, meel en planten gevuld
werd. Zo'n kookzak wordt heel heet, maar verbrandt niet
zolang er maar water in de zak staat.

               Paneel  ∆

 

 

1.20  BOOT 

Door met vuur te branden en door te hakken met vuurstenen bijlen kon je een boomstam uithollen. De oudste kano ter wereld is te zien in het Drents Museum. Kano’s van wilgentenen en aan elkaar genaaide en gespannen huiden zijn ook al oeroud.

             

Boot van Pesse, oudste boot ter wereld   Replica: Experimentele archeologie
1.21   KNOTWILG
Wilgenbomen hebben lange buigzame één- en tweejarige
takken. Die zijn bijzonder geschikt om bijvoorbeeld manden,
matten en fuiken van te vlechten. De zwaardere takken zijn
weer geschikt om als driepoot te dienen en om te worden
verwerkt in de wanden van huizen.

    

Knotwilg                                                 Gevlochten fuik van wilgentenen              
                                                              repicla = nagemaakt                     
Paneel  ∆

 

1.22  DIERENBOT

De enorme beenderen van rund en eland, maar ook die van kleine dieren, vogels en visgraten konden prima gebruikt worden om gereedschap van te maken of als bouwmateriaal.

Geschiedenis van Vlaardingen.nl

 

1.23 FLUIT  ZOEMKOORD

Het is onbekend wat voor muziek de mensen in de Steentijd gemaakt hebben. Een enkele keer wordt er een fluit van (hol) zwanenbot of benen schijfjes van een zoemkoord opgegraven. Een trom van gespannen varkensblaas op een stuk uitgeholde boomstam zal er ook wel geweest zijn.

 

 1.24  GRAAN  MALEN  

Om graan goed te verteren moet het gemalen worden. Vooral kinderen moesten dit zware en vervelende werk op hun knieën doen. Er zijn tal van platte stenen met een uitholling gevonden. Dit noemen ze een kwerne (querne). Met een wrijfsteen moesten hierop de korrels geplet en gewreven worden tot er meel overbleef. Dat meel werd meestal met melk of kokend water (bouillon) gemengd. Misschien bakten ze ook wel een soort pannenkoeken op een gloeiende steen.

 

1.25  KAARTWEVEN  

Van hout, been of stug leer maakten ze vierkante kaartjes met in elke hoek een gaatje. Door elk gaatje werd een draad gestoken. Je kon bijvoorbeeld zes kaartjes achter elkaar gebruiken. De draden werden aan de uiteinden bij elkaar gebonden. De wever vlecht telkens een (gekleurde)draad door de gespannen draden en draait daarna de kaartjes. Op het laatst ontstaat er een geweven band met allerlei kleurpatronen.

       

   Website  Filmpje                                               Paneel  ∆

  

Kaartweven

1.26  TOUWTJESSPEL  

Op veel onbekende plekken in de wereld werden in de 19e en 20e eeuw stammen ontdekt in de oerwouden van Azië, Afrika en Amerika. Bijna overal maakten die mensen figuren op hun handen met een gespannen touwtje. Het is heel goed mogelijk dat de steentijdmensen dat ook deden.

 

 

1.27 MOEDER NATUUR 

Toen de mensen heel lang geleden zich gingen afvragen hoe
het kon dat ze bestonden, dat de zon scheen, het ging vriezen
en sneeuwen, de wind woei en er regen viel bedachten ze dat
er een grote, machtige kracht was die alles regelde.
Vol ontzag sprak men van de Grote Moeder. Want zoals een
baby groeit en woont in moeders buik zo woonden zij,
beschermd, in de enorme wouden die de aarde bedekten.
Ze konden de Grote Moeder niet zien, maar zij was overal,
in de bomen, in de dieren, in de wind en de regen, in de
zonneschijn, in de stenen. Om Haar te aanbidden maakten ze
houten of kleibeelden die vereerd werden, zodat de Grote
Moeder hen zou blijvenbeschermen. Ook de overleden
voorouders moesten helpen. Om hen gunstig te stemmen werden
er offers verbrand en plechtige rituelen en dansen uitgevoerd.
 
Moedergodin, beeld anno 2010              Venus van Willendorf 20.000
 replica                                                  jaar oud.

1.28  HEILIGDOM

Op sommige plekken, op een krachtlijn in de aarde (ontdekt met de wichelroede), in een moeras, waar water stroomde of uit de grond borrelde, op heuvels of bij reusachtige bomen werd een heiligdom gesticht. Hier werden de doden bewaard en geëerd, vuren gestookt, offers gebracht en liederen gezongen. Speciaal bij midwinter en vooral bij midzomer was er feest en smeekte men om vruchtbaarheid en gezondheid. Dan trouwden de jonge mannen en vrouwen met elkaar en hoopten vurig op veel baby’s die zouden blijven leven. Want er was altijd veel kindersterfte.

  

Hunebed als heiligdom (reconstructie)           Tempeltje Barger-Oosterveld (reconstructie)

 

1.29  HEILIGE DIEREN

Altijd als de ooievaars in het voorjaar massaal uit het zuiden terugkeerden werden de baby’s geboren. Die waren verwekt tijdens de vorige midzomer. Adders kropen uit de grond na hun winterslaap en vervelden, zodat ze weer een nieuw leven leken te krijgen, Het waren allemaal heilige dieren. Maar in wezen waren alle dieren heilig, want geschapen door de Grote Moeder. Al lang voor de Nieuwe Steentijd, in de Oude Steentijd, hebben mensen heilige dieren afgebeeld in grotten in Frankrijk en Spanje.


Website naar grotkunst                                                                         Paneel  ∆

1.30  VLEERMUIS / KWADE MACHT

Vleermuizen vlogen in de stikdonkere nacht en toch ‘zagen’ ze kennelijk alles. Het waren misschien vrienden van de duistere, kwade machten die je te vriend moest houden.


                                                                            
     Witte wieven

1.31  HUNEBEDDEN   

Hunebedden waren vroeger bedekt met kleinere stenen en afgedekt met plaggen. Zo was het van binnen helemaal donker, een soort minigrot. Overal op de wereld werd de Grote Moeder in grotten vereerd. Ongetwijfeld was er een plechtigheid of een feest bij midwinter en midzomer.

De vorm van een hunebed lijkt vaak op een baarmoeder.

Misschien voelden de mensen van de Trechterbekercultuur zich wedergeboren

als ze daar een plechtige nacht binnen waren geweest?

  

Baarmoeder                   Heiligdom / hunebed

 

Het staat vast dat er ook (overblijfselen van) mensen in werden begraven. Het hunebed is dus het overblijfsel (ruïne) van een heiligdom (zie hierboven).

 


Grootste hunebed van Nederland Borger (Canon v.NL)


Hunebed Steenbergen

1.32  VUURSTEENMIJN / RIJCKHOLT    

Op veel plaatsen in Drenthe, op de heide vooral, kun je stukken vuursteen vinden. Maar dat zijn altijd verweerde en gebarsten steentjes. Mooie stukken die tot bijl konden worden bewerkt waren op sommige plekken diep in de grond te vinden. De bekendste plek in Nederland is in Zuid Limburg bij het plaatsje Rijckholt, vlak bij Maastricht. Hier zijn de overblijfselen van diepe schachten en tunnels gevonden. Gedurende vele eeuwen werden de vuursteenknollen hier opgedolven en waarschijnlijk geruild met mensen uit een zeer wijde omgeving. Ook in Duitsland, België, Engeland en Frankrijk zijn dergelijke mijnen gevonden. De uitgeputte schachten werden weer opgevuld met de uitgegraven grond.

 
Vuursteenmijn Rijckholt                                                                                   Paneel  ∆

1.33 VERKOOLDE ZADEN   

Soms worden er zaden gevonden in een oude pot of zo. De archeologen kunnen met de C-14 methode bepalen hoe oud de zaden zijn. Ook weten ze welke graansoort of plant het was.



1.34  OPGEGRAVEN BEELDJE UIT HARINGVLIET 

Het eikenhouten beeldje is afkomstig uit het veen bij Willemstad tijdens de werkzaamheden aan het Deltaplan. Het is waarschijnlijk 7.000 jaar oud.



1.35  SJAMAAN 

Overal op de wereld, bijvoorbeeld bij de Inuït, de indianen, stammen in Afrika, Indonesië, Amerika en Siberië werd, en wordt soms nog, een stam of dorp geestelijk geleid door een man of vrouw die contact had / heeft met de andere wereld, de wereld waarin de voorouders wonen. Zij konden hen raadplegen en om hulp smeken. Die heilige man of vrouw wordt wel sjamaan genoemd. Nog steeds komt het sjamanisme voor. Een sjamaan heeft vaak een grote trom / tamboerijn en is uitgedost met allerlei versiersels en geschminkt.

In 1991 werd Ötzi, de ijsmummie, gevonden in een smeltende gletsjer hoog in de bergen van Tirol (Oostenrijk). De archeologen waren dolblij, want ze ontdekten een heleboel aan zijn mummie. Sommige archeologen denken dat Ötzi een sjamaan was, omdat zijn skelet weinig sporen van slijtage vertoont. Hij heeft dus niet hard gewerkt en was misschien een hoofdman of sjamaan.

     
Er zijn nog steeds sjamanen.

  
                                                                                      

Ötzi, de ijsmummie (3000 voor Chr.)
 
  
Otzi 1  Otzi 2    
 

 

Terug naar begin                                                                                

 

 

Paneel 2              BRONSTIJD  IJZERTIJD

 

2.01
Worst
maken
2.02
Fuik
2.03
Vis
roken
2.04
Meelpap
2.05
Spieker
2.06
Brood
boy161.gif 2.07
Naald
2.08
Vilt
2.09
Vlas=
linnen
 
2.11
Torc
2.13
Schoen
2.14
Speld
 
2.19
Terp
 
CHARIOT.gif 2.10
Schaar
2.12
Aardewerk
2.15
Keltisch
sier-
smeedwerk
2.16
Wiel
2.17
Bronssmid
2.18
Eergetouw
2.20
Meier
2.21
IJzersmid
2.22
Vuur
aan houden
2.23
Wol
kaarden
2.24
Blaasbalg

2.25
Molenspel
2.26
Vechten
   
2.27
Maretak
2.28
Heilige
eik
2.29
Heilige
zon, maan
2.30
Wereldboom
2.31
Skelet
2.32
Paalresten
2.33
Rots=
tekeningen
2.34
Halssnoer
barnsteen
2.35
Veenlijk
meisje
vanYde
2.36
Tekening
paard en
wagen


2.01  WORST MAKEN

Om vlees zo lang mogelijk te bewaren werd het in stukjes gesneden en door een benen trechtertje in een schoongespoelde darm van een geslacht dier gestopt. Ook werden er kruiden en vet aan toegevoegd. De worst werd gekookt en dichtgebonden. Meestal werden de worsten en ook de hammen boven het vuur in de rook gehangen, dan bleef die langer goed. Daarom hebben we nu nog steeds gerookte worst, ham en spek.

 

 2.02  VISSENFUIK 

Bij het plaatsje Bergschenhoek hebben archeologen in 1978 de resten van een 6000 jaar oude fuik, gemaakt van wilgentenen,  gevonden. Vissen zwemmen erin, maar kunnen niet meer terug. Als de visser komt leegt hij de fuik in een vismand.

 

                                               Fuik van Bergschenhoek   Paneel  ∆  

2.03  VIS ROKEN

Vlees en vis blijven ook langer goed als het vakkundig gerookt wordt. Het beste resultaat bereikt men met snippers beukenhout, hoewel die boom pas later in Nederland groeide. Tegenwoordig houden sommige mensen van rookworst, rookvlees, gerookte paling, zalm of haring.

 

2.04  MEELPAP

Het meel werd meestal met melk in een soort pap verwerkt. Waarschijnlijk deden ze er ook wilde planten, eieren, vis en of vlees doorheen.

 

2.05  SPIEKER  

Om de voedselvoorraad veilig op te bergen werd alles zoveel mogelijk in stevige manden en aardewerk potten gestopt die weer werden opgeslagen in een soort stevig gesloten schuurtje dat op poten stond. Zo konden de muizen en de roofdieren er niet bij.
Tot aan de 20e eeuw (1900 - 2000) stonden er spiekers (spijkers) op de boerenerven, later meestal gebouwd van baksteen of hout.

 

Spieker = voorraadschuurtje                                            Paneel  ∆  

2.06  BROOD BAKKEN 

Eerst bakten ze een soort pannenkoeken of matzes op een platte hete steen. Later werd ontdekt dat deeg ook kon rijzen en dat je gist kon bewaren voor de volgende dag. In de bronstijd bakte men in elk geval vaker brood. Van gerezen deeg kun je ook bier bereiden.

 

 

 NTR

2.07  NAALD 

Een naald van been of hout maken is een heel precies werk. Waarschijnlijk gebruikten ze ook wel dikke visgraten. Ze maakten de gaatjes in de stof of het leer met een els (priem) van vuursteen. 

 

2.08  VILT 

Als je ongesponnen wol in kokend water legt en het de hele tijd wrijft met een houten spatel dan gaan de draden op de duur in elkaar klitten. Zo ontstaat een vilten lap. Het is de oudste vorm van textiel.

 

  Terp ijzertijd        Paneel  ∆  

 

2.09  VLAS = LINNEN

 

De vlasplant heeft lange stengels met sterke vezels. Daarvan konden ze draden spinnen. Die werden gebruikt om touw van te slaan en linnen van te weven. Vlas moet veel bewerkingen ondergaan om in linnen te veranderen.

 

Brakelen                             Repelen                            Zwingelen

2.10  SCHAAR   

Ongeveer in 500 voor onze jaartelling werd de schaar (brons, ijzer) in West Europa geïntroduceerd. De Egyptenaren kenden hem al duizend jaar eerder.

 

2.11  TORC

Van de Kelten is bekend dat iedere man een bronzen of gouden ring om zijn hals droeg. Hoe mooier hoe beter. Het was een stoer statussymbool. Soms werden gezichten van de goden afgebeeld op de torc.

 

 

2.12  AARDEWERK 

 

De stammen van het Trechterbekervolk (o.a. Hunebedbouwers) maakten al hun kenmerkende aardewerk. Vrouwen kneedden slangetjes van klei stevig op een bodem en op elkaar, zodat er een potvorm ontstond. De droge potten werden gebakken in veldovens.

    
Aardewerk kom van de Trechterbekercultuur  Urnen uit de bronstijd      Paneel  ∆  
Filmpje

2.13  SCHOENEN 

Schoenen en laarzen van gevlochten plantenvezels of van leer waren niet zo moeilijk te maken.

 

2.14  SPELDEN

Spelden werden eerst van been gemaakt, maar later ook van brons en ijzer.

Net als torcs waren mooie mantelspelden een statussymbool. De smid maakte soms ware kunstwerkjes.

 

 

2.15  KELTISCH SIERSMEEDWERK

De Kelten, maar ook ander volkeren uit Europa stonden als zeer goede smeden bekend. Ze maakten bronzen en ijzeren gereedschappen en wapens. Maar ook prachtige bronzen, zilveren en gouden schalen en sieraden hebben ze ons nagelaten. Een van de beroemdste kunstwerken is de zilveren ketel van Gundestrup uit Denemarken die waarschijnlijk afkomstig is uit Zuid Europa.

 

 

2.16  WIEL   

Ergens aan het eind van de Nieuwe Steentijd gingen de mensen het wiel gebruiken. Met een kar, het liefst getrokken door ossen, konden ze ineens veel vervoeren over een grote afstand.

 

Wiel in het veen gevonden 2800 v.Chr.                                            Paneel  ∆  

2.17  BRONSSMID 

Waarschijnlijk trokken bronssmeden uit Engeland in onze streken rond en leverden bronzen gereedschappen en wapens.

Brons was heel kostbaar en werd zoveel mogelijk opnieuw gebruikt. Brons bestaat uit koper (90%) en tin (10%). Door de beide metalen te smelten en te mengen ontstond brons. Brons kan niet roesten, maar is wel zachter dan ijzer. Met een blaasbalg van huiden gemaakt kon de smid of zijn knecht het vuur heet genoeg laten worden. Het gloeiende, vloeibare brons werd in een vorm van klei gegoten. Als het was afgekoeld brak men de kleimantel ervan af.

 

   

Gebogen Keltisch zwaard, gevonden in grafheuvel.                       Paneel  ∆  

 

2.18  EERGETOUW  

De eerste landbouwers namen gewoon een stevige tak met een korte zijtak aan het eind. Daarmee krabden ze de grond open, zodat er gezaaid kon worden. Later maakten ze van twee of meer stevige takken een eergetouw. Eén man moest dan trekken en een ander duwde de tak stevig in de grond. Weer later werd er ook wel een of twee ossen voorgespannen.

 

 

2.19  TERP

Tot laat in de Middeleeuwen had de zee vrij spel in Noord Nederland en Duitsland. Daarom durfden de mensen niet zomaar in de kwelder te gaan wonen. Dat is het laag gelegen, kleiige land dat dus af en toe overstroomd wordt. Wel gingen ze daar vaak jagen, want er leefde een heleboel wild. Rond 500 v.Chr. durfden de eerste boeren het aan om op zelf opgeworpen heuveltjes te gaan wonen en een stuk land te ontginnen voor een akker. Het vee vond volop voedsel in de kwelder. Zo’n heuvel staat bekend onder de naam terp of ward. In Friesland liggen nog steeds veel terpdorpen met ward of terp als uitgang.

 

Kwelderlandschap met terp                     Terpdorp heden          Paneel  ∆  

2.20  MEILER
Ongeveer in het jaar 800 v. Chr. gaan de mensen in ons land voor het eerst ijzer gebruiken. Het voordeel is dat ijzer harder is en scherper geslepen kan worden dan brons. Het nadeel is dat het roest en dat er een hogere temperatuur nodig is om het te laten smelten. IJzer smeden is een heel andere techniek. Eerst moest er houtskool gemaakt worden. Dat lukt alleen door de houtblokken op te stapelen, af te dekken en dan in brand te steken. Het hout verbrandt niet volledig, maar verandert in houtskool. Kolen branden is een vak apart. De houtskoolbrokken werden weer opgestapeld tot een meiler met stukken ijzererts in het midden. De afgedekte meiler werd aangestoken. Het duurde een paar dagen voor het ijzer eruit gehaald kon worden. Voor 1 kilo ijzer is wel 30 kilo hout en 100 kilo erts nodig.
 

 

Meiler                

Filmpje  Filmpje2

                            IJzertijd in Eemland. 

2.21  IJZERSMID

Langzaam maar zeker kon de smid steeds beter het ijzer bewerken.

Al stookt de smid het vuur nog zo hoog op, ijzer smelt niet, maar wordt witgloeiend en zacht. Dan kan hij het ijzer met een hamer vorm geven op zijn aambeeld.

 

   

   Primitieve oven                          Smid aan het werk in Orvelte    Paneel  ∆  

Filmpje 1  Filmpje 2

2.22  VUUR AANHOUDEN

In elke nederzetting werd er een eeuwig vuur brandend gehouden. Iedereen hielp om brandstof te verzamelen en kon zodoende snel een kooltje uit het vuur halen om de eigen haard aan te steken. Er moest altijd iemand in de buurt zijn om het vuur brandende te houden.

  

 

2.23 WOL KAARDEN  

Om mooie draden te spinnen moesten de plukken ruwe wol mooi glad gekamd worden. Dat noemen we kaarden. Gelijk werden allerlei takjes e.d. eruit verwijderd.

                                                                          Paneel  ∆  

2.24 BLAASBALG BEDIENEN  

 

Als je flink blaast in een vuurtje gaat het harder branden. Dat komt omdat er meer zuurstof bij komt. Om het vuur in de smeltoven heet genoeg te laten worden moest iemand de blaasbalg bedienen om meer zuurstof aan te voeren. De smid had daarvoor een knecht nodig. Ook jongens moesten weleens meehelpen.

 

2.25  MOLENSPEL

Het molenspel is zo oud dat het misschien al in de bronstijd gespeeld werd.

           Paneel  ∆  

 

2.26  VECHTEN   

In de bronstijd ontdekte men ook dat bezit macht gaf aan een mens. In die tijd werden ook de eerste munten van goud en zilver geslagen en er kwamen steeds betere wapens. Wie rijk wilde worden vormde soms een groep vrienden om zich heen en probeerde het bezit van anderen te roven. Maar die anderen gingen zich natuurlijk verdedigen. Uit sommige opgravingen is gebleken dat mensen een veldslag uitvochten. Toen ontstonden ook de eerste heldensagen, verhalen over sterke en dappere mannen.

  

2.27 MARETAK

De maretak groeit op wonderbaarlijke wijze op het hout van eiken en wilde appelbomen. Bovendien is het de enige bes die wit sap heeft, wat op vruchtbaarheid duidt (kleur van sperma). Daarom werd de heilige maretak, of mistletoe in het Engels, geplukt om de vruchtbaarheid van mannen en vrouwen te bevorderen. Waarschijnlijk smeerden vrouwen zich in met het sap als ze graag een baby wilden. Nog steeds worden er met kerst bosjes maretak opgehangen als kerstversiering (Engeland). En elk meisje dat eronder staat mag door een jongen gekust worden. 
                                       Paneel  ∆  

2.28 HEILIGE EIK

Van alle bomen was de eik wel het heiligst voor de mens in de prehistorie. Duizenden jaren lang had elke nederzetting een enorme eik waaronder plechtige feesten gevierd werden ter ere van Moeder natuur en later ter ere van de goden. Ook de linde was een heilige boom.

 
 

2.29 HEILIGE ZON EN MAAN

Je kunt begrijpen dat het opkomen, schijnen en ondergaan van de zon en de maan met haar schijngestalten en het schitteren van de sterrenhemel voor de mensen in de prehistorie volstrekt onbegrijpelijk was. Een machtige god stuurde dit alles aan. Dat kon niet anders. De zon zorgde voor licht en warmte, de volle maan verlichtte het veld. Er moesten elk jaar grote offers gebracht worden, vooral bij midwinter (21 december), midzomer (21 juni) en bij de dag-eveningen op 21 maart en 21 september. In die tijd hadden de maanden nog geen eigen naam. 
 
Opkomende zon                                                 Schijngestalten van de maan         Paneel  ∆  

2.30  WERELDBOOM  

De es heeft een lange, rechte, sterke stam Van het taaie essenhout worden nog steeds stelen voor bijlen en scheppen gemaakt. De es maakt heel veel zijtakken en daarom was hij het symbool van het leven. De wortels groeien diep de grond in en daarom verbindt de es de bovenwereld met de onderwereld, waar de doden begraven zijn. Maar de lange takken reiken naar de hemel, de zon en naar het rijk van de voorouders. De heilige es werd wel vergeleken met de as waar de wereld omheen draait. Ygdrasill, de Germaanse naam, betekent eigenlijk de kracht (het paard) van Yggr (Wodan).

 
 

2.31  SKELET

Soms vinden archeologen nog skeletten en andere overblijfselen uit de steentijd, de bronstijd en de ijzertijd.

 
                                  Paneel  ∆  

2.32  PAALRESTEN VAN HUIS    
De palen die werden ingegraven zijn na al die jaren natuurlijk allang vergaan. Toch kunnen archeologen aan de verkleuring in het zand duidelijk zien waar vroeger een paal in de grond zat. Zo hebben ze de plattegrond van een huis kunnen vaststellen en natekenen.                          
 

2.33  ROTSTEKENING  

In Frankrijk en Spanje zijn grottekeningen ontdekt van wel 10.000 jaar geleden. In ons land zijn er geen geschreven of getekende berichten van de mensen uit de prehistorie gevonden. Maar in Zweden hebben mensen uit de Bronstijd een tekening gekrast in de rots.

 
 

2.34  HALSSNOER BARNSTEEN

Dit is het beroemde halssnoer van Exloo.

Het zou toebehoord hebben aan de prinses van Zweeloo. Het barnsteen, hard geworden resten hars van verteerde naaldbomen, werd vroeger, maar ook nu nog, vaak gevonden aan de kust van vooral Denemarken en aan de Oostzee. Het lag ook wel eens aan onze kust. Als je het goed opwrijft gaan het glanzen en wordt het doorschijnend. Het was niet zo hard, dus kon je er makkelijk kralen en zelfs beeldjes van snijden. Barnsteen was heel erg geliefd in landen als Egypte en Griekenland. Er was een barnsteenroute dwars door Europa naar de Middellandse Zee. 
  Paneel  ∆  
2.35  VEENLIJK MEISJE VAN YDE
In het Drents Museum in Assen wordt het beroemde veenlijk van het meisje van Yde bewaard. Zij werd in 1897 in een veenmoeras gevonden. Ze moet ongeveer tussen het jaar 50 voor en 125 na onze jaartelling geleefd hebben. Ze was ongeveer 16 jaar toen ze stierf. Naast haar zie je een zogenaamde reconstructie van haar gezicht. Zo moet ze er ongeveer uitgezien hebben! 
 

2.36  TEKENING PAARD / WAGEN

Al in de Bronstijd spanden de mensen paarden voor hun wagen. Deze reliëftekening zit op de bronzen ketel van Gundestrup uit Denemarken. Het  is een spoor dat zij achterlieten.  
        Paneel  ∆  

Terug naar begin 

PANEEL 3:      KELTEN, GERMANEN, ROMEINEN

 

  3.01
Fruit
3.02
Kippen
3.03
Kaas
3.04
Nieuwe
Vissoorten
3.05
Fazant
3.06
Bijen-
teelt
3.07
Groente
3.08
Konijn
3.09
Amfoor
3.10
Keuken
boy161.gif 3.11
Kinder-
kleding
3.12
Germaanse
kleding
3.13
Romeinse
kleding
3.14
Waterput
3.15
Buis
Baksteen
Dakpan
3.16
Olielamp
3.17
Badhuis
3.18
Emmer
Kuip
Duigen
3.19
Latrine
3.20
Kat
3.22
Glas
CHARIOT.gif 3.21
Ruiter
3.23
Veenweg
3.24
Zeilschip
3.25
Roer
3.26
Koets
3.27
Straatweg
3.28
Zaag
3.29
Edelsmid
 

3.30
Toneel
3.31
Lezen
Schrijven
3.32
Wagenrennen
3.33
Colosseum
3.46
School
 

3.34
Germaanse
goden
3.35
Walhalla
3.36
Nehalennia
3.37
Romeinse
goden
3.38
Hoorn des
overvloeds
3.39
Steek-
kalender
3.40
Tempel
3.43
Bakeren
3.44
(Kind)-
slaaf

Sporen
3.42
Munten
3.45
Romeinse
graven
 
CANON
van NL
3.41
Mijlpaal

 

3.01  FRUITTEELT : APPEL, PERZIK, KERS     

De Romeinen brachten fruitboompjes mee uit de zuidelijke landen.
Zo leerden de mensen in de Lage landen fruit te telen en te eten.

3.02  KIPPEN    

De Romeinen brachten kippen mee uit Zuid Europa, omdat ze veel eieren legden. Ze waren daar al ongeveer 600 voor Chr. terechtgekomen vanuit Thailand / Birma.

                Ardennerhaan zilverhalzig                                                 

Ardenner hoen, lijkt op de Gallische oerkip                               Paneel  ∆  

 

3.03  KAAS

Al omstreeks 800 v.Chr. werd er in ons land kaas geproduceerd. Archeologen hebben dat aangetoond toen ze speciale potjes met
gaatjes vonden. Julius Caesar schrijft in zijn boek Bello Gallico
(de Gallische oorlog) erover. Hij kon de kaas prima gebruiken
als voedsel voor zijn leger.


3.04  NIEUWE VISSOORTEN, KARPER

De Romeinen aten veel vis. In de Rijn en andere wateren zat
veel zalm, paling en steur. Ze brachten echter ook vissoorten
als de karper mee uit Oost Europa om die hier in vijvers te
kweken. De geleerden zeggen dat de karper ook later in ons land terechtgekomen kan zijn. Veel sportvissers vissen op karper.
De Romeinen hielden ook veel van vissaus (garum). Die werd
gemaakt van zeevissen als makreel. De meeste garum kwam uit
Spanje en Italië. Omdat er veel zout in zat bedierf het niet,
maar het stonk wel.

               Paneel  ∆  

3.05  FAZANT

De fazant is afkomstig uit Georgië aan de Zwarte Zee.
De Romeinen namen ze in elk geval mee naar Frankrijk en Spanje
omdat ze makkelijk te fokken zijn en prima smaken.
Tegenwoordig leeft de fazant in de bossen en wordt er vaak
op gejaagd. Sommige geleerden zeggen dat de fazant pas in de Middeleeuwen naar Nederland kwam.

 

3.06  BIJENTEELT

Al in de Nieuwe Steentijd verzamelden de mensen honing van
wilde bijen. De Kelten en Germanen begonnen met het fokken van bijenvolkeren in bijenkorven. Bijen hielpen enorm de fruitteelt
en de tuinbouw te bevorderen doordat ze de bloesems bestuiven.

                                            Paneel  ∆  

3.07  GROENTETEELT

Prei, tuinbonen, kool, broccoli, radijsjes, sla stonden in elk geval
op het menu bij de Romeinen. Zij leerden de Nederlanders hoe je
uit wilde planten groente kon telen. Uien waren al bekend in het
oude Egypte.




3.08  KONIJNEN

De Romeinen troffen in Spanje / Portugal (Iberia) wilde konijnen aan. Al spoedig werden die overal in Europa verspreid, omdat ze heerlijk smaakten.

                          Paneel  ∆  

3.09  AMFOOR   

De Romeinen waren dol op wijn en olijfolie. Omdat die heerlijkheden

in Nederland niet geproduceerd konden worden moesten ze net als

Garum worden ingevoerd uit Frankrijk, Spanje of Italië.

Dat vervoer ging per schip over zee. In het schip waren houten

rekken met gaten waarin de puntige amforen stevig werden  vastgezet.

Een amfoor was ook een inhoudsmaat en had meestal een inhoud van 23 liter. Ons woord emmer is afgeleid van het woord amfoor.

Er waren ook heel grote kruiken, de dolio.

 

3.10  KEUKEN

De Kelten en Germanen hingen een pot of ketel boven het haardvuur
midden in het huis. Daar was het in de winter het warmst en iedereen schepte op. De Romeinen hadden in de villa’s een aparte keuken
(culina). Culinair betekent nu nog heerlijk eten. Potten, pannen,
messen en vijzels hoorden tot het keukengerei. 

                                        Paneel  ∆  

 

3.11 KINDERKLEDING 

Zo ongeveer zag een Romeins kind eruit. Net als de volwassenen droegen ze een lendendoek en een tunica (mantel zonder mouwen). Als het koud was sloegen ze nog een wollen cape met capuchon om.

                                                                            Paneel  ∆  

3.12  GERMAANSE KLEDING
De Keltische mannen (Galliërs) droegen soms broeken. De Romeinen
vonden dat barbaars (onbeschaafd). De Germanen droegen eenvoudige geweven kleding van wol of linnen.

                                                                           Paneel  ∆  

3.13  ROMEINSE KLEDING 

De deftige Romeinen droegen over hun tunica een toga, een fijn
geweven wollen kleed. Het was een teken van waardigheid en was vaak verplicht voor een hoogwaardigheidsbekleder.
Een ander woord voor toga is tabbaard (tabbert) Een bisschop en Sinterklaas dragen nu nog een tabbaard. Vrouwen droegen vaak
een stola, een wollen omslagdoek. De kleding werd met
sierspelden (fibula) vastgemaakt.

               

3.14  WATERPUT 
De bevolking woonde het liefst bij een beek, meer of
rivier(tje) om altijd over genoeg water te beschikken. Toen de mensen plekken gingen bewonen die niet aan het water lagen gingen ze putten graven naar het grondwater. Met een emmer aan een hefboom of
gewoon aan een touw kon je water ophijsen. De put was van binnen
bekleed met een stevige houten wand tegen instorting.
                                                    Paneel  ∆  

3.15  PIJP, DAKPAN, BAKSTEEN

De Romeinen bakten bakstenen, dakpannen en zelfs buizen in steenovens. Dat hadden ze geleerd van de Etrusken, een volk in de buurt van Rome. Toen de Romeinen weg waren uit ons land werden er eeuwenlang geen stenen meer gebakken. Pas in de latere Middeleeuwen werd de baksteen weer gebruikt.



3.16  OLIELAMPJE
 Om licht te maken werden er van klei een soort bakjes gemaakt
met een nauwe opening van boven. Hierin kon je lijnzaadolie van
de vlasplant gieten. De pit of lont van gedraaid of gevlochten
vlasdraad die in de olie gestoken werd kon worden aangestoken.

  Olielampjes                       Paneel  ∆  

 

3.17  BADHUIS

Alleen in de grote steden bouwden de Romeinen een badhuis. Het water kon verwarmd worden door een ondergrondse kachel. Mannen en vrouwen baadden gescheiden. Er werd heel wat afgepraat tijdens het baden en het ontspannen (chillen) erna.

  Wiki

 

3.18  EMMER, KUIP, DUIGEN    

De Kelten hebben de emmer / kuip van duigen en hoepels uitgevonden. De timmerman (duigenmaker) zaagt de eiken duigen precies op maat en de smid vervaardigt de ijzeren hoepels. De roodgloeiende hoepels worden over de taps toelopende emmer geklopt en direct gekoeld in koud water. Hierdoor krimpen ze en trekken de duigen tegen elkaar. Lekjes worden gedicht met werk. Dat is touwpluis vermengd met teer. Houten kuipen en emmers hebben tot diep in de 20e eeuw (1900 - 2000) dienst gedaan.

          Paneel  ∆  

 

3.19  LATRINE / WC
Iedereen deed zijn / haar behoeften ergens in de bosjes of
aan de kant van de weg. In de Romeinse steden werd het een
heel vieze boel en ging het erg stinken, daarom werden openbare
toiletten gebouwd. De uitwerpselen werden weggespoeld door
stromend water uit de bergen of het aquaduct.
Men veegde zijn / haar gat af met een mosselschelp of een
sponsje dat aan een stokje was gebonden. Het sponsje verdween
na gebruik in een emmer met zout water voor de volgende gebruiker!

                                                                          Paneel  ∆  

3.20  KAT
De huiskat komt oorspronkelijk uit Egypte. Omdat het een prima muizenvanger is werd hij door de Romeinen meegenomen. In de
oerbossen van ons land leefde wel de boskat, maar die laat zich niet temmen.

 

3.21  RUITER
Er werden steeds meer en sterkere paarden gefokt.
Die waren geschikt om te berijden. Als je ruiter was keek
iedereen tegen je op. De Romeinen hadden ook al koetsen die
door paarden getrokken werden. Met de Romeinen kwamen
ook de ezels in ons land terecht. (misschien al eerder).  
  
                                                                                        Beeldje paard en ruiter      Paneel  ∆  

3.22  GLASWERK
In de late Romeinse tijd (100 – 400) werd er veel glaswerk
gemaakt, vooral in Trier (Trevorum) in Duitsland. Het werd
al veel eerder uitgevonden in Mesopotamië.

 

3.23  VEENWEG

In Noord Nederland lagen uitgestrekte hoogveenmoerassen. Niemand durfde erin, want als je wegzakte was je verloren. Om een moeras toch in te gaan, bijvoorbeeld om geesten of goden te vereren, maakte men een weggetje (brug) van gespleten stammetjes die met eikenhouten pennen vastzaten op dwarsliggers.

Bij het afgraven van moerassen voor de turfwinning kwam men de
restanten tegen. Met de C14 methode kan men de ouderdom vrij
nauwkeurig vaststellen.
Sommige veenwegen dateren al uit de Nieuwe Steentijd.

                                                                                         Paneel  ∆   

3.24  ZEILSCHIP

Behalve gewone roeiboten en zeilschepen hadden de Romeinen ook de beschikking over galeien. Sommige hadden boven elkaar drie dekken met roeiers. Die schepen werden triremen genoemd. Ze werden vooral als oorlogsschip ingezet. Er was veel scheepvaart over de Rijn en de Maas. In Zeeland, bij Domburg, was een haven voor de scheepvaart naar Engeland.



3.25  ROER
Zonder roer kun je een groot schip niet goed besturen. De Romeinse schepen hadden meestal twee roerbladen, links en rechts.
Ook kwam het wel voor dat er één roer aan stuurboord
(rechterkant) was bevestigd.


3.26  PAARDENKOETS
Op de Romeinse straatwegen reden snelle en comfortabele koetsen.
Ze hadden met ijzeren banden versterkte wielen met spaken.
De koetsen waren vooral bestemd voor (belang)rijke mensen.
Filmpje         Paneel  ∆  

3.27  STRAATWEG

De Romeinen legden voor het eerst in de geschiedenis verharde straatwegen aan. Die waren vooral bestemd voor het leger. Zo konden de legertroepen zich snel verplaatsen. Maar ook de plaatselijke bevolking en handelaren gingen met karren, als ruiter of lopend over de straatweg. Sommige straatwegen zijn nog steeds in gebruik.



3.28  ZAAG
In de IJzertijd ontdekte iemand van de Kelten dat je met een
scherp getande ijzeren plaat een tak kon afzagen of zelfs een
boom kon omzagen. Voortaan hoefde je niet meer perse te hakken.
En je kon heel precies op maat werken. Ook het gebruik van
beitels, vijlen en schaven leverde mooie producten op.
                               Paneel  ∆  
3.29  EDELSMID
De Kelten konden prachtige zilveren en gouden gebruiksvoorwerpen
en sieraden maken.

3.30  TONEEL
De Romeinen waren dol op toneelstukken. Ze bouwden dan ook
speciale theaters waar soms duizenden mensen terecht konden.
Er werden komedies (blijspel), tragedies (treurspel) en pantomimes (zwijgend) opgevoerd. Sommige toneelstukken gingen over de goden.
Ook kon het publiek luisteren naar mensen die gedichten kwamen voordragen.
       Paneel  ∆  

3.31  LEZEN SCHRIJVEN
De Romeinen gebruikten twee met bijenwas bedekte plankjes
die als een soort boekje met elkaar verbonden waren om
aantekeningen te maken. Door het warm te maken kon je de letters
weer wissen. Belangrijke documenten werden op perkament of
papyrusvellen geschreven. Er zijn veel Romeinse geschriften
bewaard gebleven doordat ze telkens weer werden overgeschreven.
  http://www.romeinspompeii.net/graffiti1.jpg

3.32  WAGENRENNEN
Vanaf het begin van het Romeinse rijk waren de mensen verzot op wagenrennen. De wagenmenners waren vaak slaven of boeven.
Maar door te winnen kregen ze veel respect. Wagenrennen was heel moeilijk en gevaarlijk. Het circus Maximus was de grootste
renbaan van het Romeinse Rijk en ook het grootste stadion ter
wereld ooit. Er konden 250.000 mensen in, tien keer zoveel als in de Euroborg.
 
                                                                Overblijfselen van
                                                                         Circus  Maximus
 
            Paneel  ∆  

3.33  COLOSSEUM

Hier zat het publiek in extase naar bloeddorstige gevechten te kijken. Sterke gevangenen moesten als gladiator op leven en dood met elkaar vechten. De keizer besliste over leven of dood van de verliezer. Soms werden er wilde dieren zoals leeuwen en panters aangevoerd uit Afrika en Azië. Dan moesten ze daartegen vechten. Het is bekend dat bijvoorbeeld de Christenen door keizer Nero en andere keizers voor de leeuwen gegooid werden. De keizer wilde de bevolking gunstig stemmen en tevreden houden, daarom trakteerde hij op brood en spelen.

Kort geleden is ontdekt dat het Colosseum van grote zonneschermen van geweven doeken was voorzien.
Oorspronkelijk was het gebouw bekleed met prachtig marmer, maar
dat is er in de Middeleeuwen allemaal afgesloopt.
 
                                                                                              Model van Colosseum en omgeving.

3.34  GERMAANSE GODEN

De Germanen hadden een oeroude mythologie, dat zijn verhalen over allerlei goden die over de wereld heersten. De hoofdgod was Wodan op zijn paard Sleipnir met acht benen. Donar was de dondergod van het onweer en Freia was de godin van de liefde, de voortplanting en de lente.

Maar er waren nog veel meer goden. De vele verhalen over de goden werden telkens doorverteld door de ouderen, maar vooral door de barden, de volkszangers. In de Middeleeuwen heeft iemand uit IJsland (Snorri Sturluson) die verhalen opgeschreven, daarom kennen we ze nu nog. Dat boek heet de Edda.

 
Omslag van de Edda                                               Vruchtbaarheidsgodin Freia.
                                                                                         Paneel  ∆  
 

Wodan op zijn paard Sleipnir                     Donar op zijn bokkenwagen  
3.35  WALHALLA
Zo noemden de Germanen de prachtige plek waar de gesneuvelde
dappere strijders volgens hun geloof heen gingen. De anderen gingen
naar Niffelheim (nevelhuis).
                                              Paneel  ∆  

3.36  NEHALENNIA

Zij was waarschijnlijk een beschermgodin voor de zeelieden en handelaars die al sinds de bronstijd (en daarvoor?) de Noordzee overstaken naar Engeland (Albion) en de Rijn en de Maas opvoeren met hun zeilboten. De Romeinen maakten prachtige altaren van kalksteen. Al in 1647 werd er in Domburg in de duinen het restant van een tempel gevonden. In 1970 vonden vissers op de bodem van de Oosterschelde een aantal altaren. Ooit had daar ook een heiligdom gestaan. Er zijn nog vele andere plaatselijke godinnen bekend, zoals Sandraudiga (Zundert), Nerthus, Hlundana.

  Godinnen

3.37  ROMEINSE GODEN
De Romeinen hebben ooit hun mythologie en goden van de oude
Grieken overgenomen. Alleen kregen de goden andere namen.
Zo veranderde de oppergod Zeus in Jupiter, de godin van de
liefde van Aphrodite in Venus, de oorlogsgod Ares in Mars.
Ook Mercurius en Saturnus waren Romeinse goden.
Nog steeds worden de planeten en de dagen van de week naar hen
genoemd. De Romeinen konden prachtige tempels voor en beelden
van de goden maken, iets wat de Kelten en Germanen niet deden. Vanaf de tweede eeuw gingen veel Romeinse burgers de Egyptische godin Isis vereren. Ook de Oosterse god Mithras had veel aanhangers.

Mithras  Isis

Jupiter                                       Venus                         Neptunus           Paneel  ∆  

   
  Godenzuil                                               Beeld van Epona, godin van de paarden en hun ruiters.

3.38  HOORN DES OVERVLOEDS
Het Griekse /Romeinse verhaal gaat dat Jupiter (Zeus)  ooit een geitenhoorn met een nooit stoppende overvloed aan lekker voedsel
ten geschenke gaf aan zijn gunstelingen. Degene die zo'n hoorn
bezat had nooit honger. Fortuna, de godin van het geluk was de
beheerder van de hoorn.
                                          Paneel  ∆  

3.39  STEEKKALENDER

Met stokjes kon je laten zien welke datum het was.

Julius Caesar wilde een nauwkeurige kalender. Geleerde astronomen maakten de Juliaanse kalender. Er werd vastgesteld dat een jaar
365¼ dag duurde. Daarom werd er om de vier jaar een schrikkeldag toegevoegd aan het eind van het jaar. Dat was toen op
28 / 29 februari. Het nieuwe jaar begon op 1 maart, het begin
van de lente, het nieuwe groeiseizoen. De namen van onze maanden
zijn afkomstig van de Juliaanse kalender. Pas in 1582 werd de
kalender nog verbeterd door paus Gregorius VII.


3.40  TEMPEL

De Germanen en de Kelten hadden eenvoudige heiligdommen in de vrije natuur, bij een oud hunebed of onder een heilige eik. De Romeinen bouwden stenen tempels,(het Pantheon in Rome, staat er nog steeds). De Germanen en Kelten waren zeer onder de indruk en heel blij met bijvoorbeeld een tempel (Elst) voor Hercules Magusanus, de god van de Bataven die de Romeinen voor hen bouwden.

 
Pantheon / Rome                                        Model van tempel in Elst           Paneel  ∆  
3.41  MIJLPAAL
De Romeinen plaatsten stenen palen langs de grenzen van het rijk
en op de belangrijkste kruispunten. Er stonden plaatsnamen en
afstanden in gebeiteld. Ze worden dan ook mijlpalen genoemd.
Af en toe wordt er wel eens een opgegraven.

Er is een Middeleeuwse kopie bewaard gebleven van een Romeinse landkaart, de tabula Peutingeriana. Hierop staan ook Nederlandse
plaatsen zoals Nijmegen en Katwijk vermeld.

   

3.42  MUNTEN

De Romeinen hadden van de Grieken en andere Oosterse

beschavingen geleerd wat muntgeld was. De oudste munten

stammen uit ongeveer 800 v.Chr. Toen de Germaanse en

Keltische stammen hiermee kennismaakten gingen zij geleidelijk

aan munten gebruiken. Toen was er niet alleen ruilhandel meer.

De Romeinse keizers lieten hun portret afbeelden op de munt
om zo bekend te worden bij hun volk. Er waren gouden munten
(Aureus), zilveren munten (Denarius) en koperen /bronzen
munten (Sesterius).. Sommige keizers beduvelden hun soldaten
door ze te betalen met gouden munten waar zilver of koper
doorheen gemengd was. Vaak worden er Romeinse munten opgegraven.
                                          Paneel  ∆  

3.43  (IN)BAKEREN
De Romeinen hadden de gewoonte baby’s strak in doeken te
wikkelen. Ook Maria doet dat met het kindje Jezus
(bijbelverhaal Lucas 2).


 3.44  (KIND)SLAAF

De Romeinen hielden van luxe. Als je flink wat geld had kocht

je op de slavenmarkt één of meer slaven en / of slavinnen.

Die moesten dan je land bewerken, je huis schoon houden,

enzovoort. Ook kinderen werden gekocht, meestal samen met

hun moeder en / of vader. Ook weeskinderen werden makkelijk tot slaaf gemaakt. Sommige slaven namen een belangrijke plaats in en werden goed beloond. Soms werden ze op den duur vrijgelaten.

                                               Paneel  ∆  
3.45  VLOERVERWARMING
Rijke Romeinen lieten in hun villa een vloerverwarming in de
kelder aanleggen. Slaven moesten in de winter ervoor zorgen
dat de oven bleef branden. Archeologen vinden soms de
overblijfselen van zo’n villa met een vloerverwarming.



3.46  SCHOOL

Rijke mensen hadden een slaaf die hun kinderen onderwijs gaf (pedagoog). Ze moesten de kinderen begeleiden en opvoeden. De vakken waren taal, welsprekendheid, muziek, sterrenkunde, literatuur en filosofie.

  

3.47  ROMEINSE GRAVEN
Wie belangrijk was in het Rijk besteedde veel zorg aan zijn
graf. Sommigen lieten van tevoren een prachtige kalkstenen
sarcofaag (=doodskist) maken met gebeeldhouwde taferelen,
zelfs aan de binnenkant, die gebeurtenissen uit het leven van
de dode lieten zien.
   Paneel  ∆  


Op onderstaande websites vind je nog veel informatie over de Romeinen.

 Grieken canon   Romeinen Canon   Archeos   Webkwestie  Via Augusta  Pompeii

 

 

 Terug naar begin 

Paneel 4:                     MIDDELEEUWEN tot ±18e eeuw (1700)

 

4.01
Ploegen
oogsten
4.02
Koeien
melken
4.03
Valken-
jacht
4.04
Middel-
eeuwse
maaltijd
4.05
Pannen-
koeken
4.06
Tinnen
potten
4.07
Tinnen
borden
4.08
de
Bakker
4.14
Waag-
(schaal)
boy161.gif 4.09
Laken-
industrie
4.10
Breien
borduren
4.11
Mode
4.12
Kaars
4.13
Tijd-
meting
4.16
Baksteen
4.17
Kasteel
4.18
Gasthuis
4.20
Stad
4.21
Heer-
horige
CHARIOT.gif 4.19
Buskruit
4.22
Boek-
drukkunst
4.23
Water-
molen
4.24
Gulden
4.25
Handel
4.26
Kerk-
klok
4.27
Mars-
kramer
galerijen         met                 schilderkunst
4.28
Schrijf-
kunst
4.29
Ganzen-
veer
4.30
Kaart-
spel
4.31
Muziek-
noten
4.32
Muzikanten
4.33
Schaak-
spel
4.34
Kinder-
spelen
 
4.15
Kerk
4.35
Alchemist
4.36
Hemel
hel
4.37
Processie
4.38
Ziektes
4.39
Bijgeloof
4.40
Feesten
4.41
Relikwie
heiligen
4.42
Stumpers
4.45
Drie-
eenheid
4.56
Hoef-
ijzer
      4.49
Maria-
verering
4.44
Duivel
heks
4.43
Klooster
CANON 4.46
Zendeling
4.47
Adel
keizer
4.48
Bijbel
4.50
Regering
St.Gen.
4.51
Hanze
4.52
Erasmus
humanisme
4.53
Keizer
Karel V
4.54
Hervorming
4.55
Verenigde
Nederlanden

  

4.01  PLOEGEN en OOGSTEN

De Middeleeuwse boer ploegde het land met een ijzeren ploeg. Soms werd die door ossen en soms door paarden getrokken. Het zaaigoed, de tarwe rogge, haver of gerst was zuinig bewaard. Het werd in maart of april zorgvuldig in de voren uitgestrooid en onder geharkt. De hele zomer werd het onkruid zoveel mogelijk gewied en de vogels werden verjaagd. In augustus werd het koren gemaaid met een sikkel, later met een zicht of een zeis.

Kinderen en vrouwen raapten de gevallen halmen op. De bossen graan werden in schoven geplaatst om te drogen. Als het droge, rijpe graan per kar werd afgevoerd naar de schuur was het (oogst)feest. De mooiste schoof werd op het erf geplaatst en versierd met bloemenslingers. ’s Avonds werd er gezongen en muziek gemaakt en gedanst. Tot ver in de 20e eeuw (1900 - 2000) werd er zo gewerkt, al werd de ploeg wel steeds beter.

   

   Ploegen                                           Hooien                                Paneel  ∆  

 

  Oogsten

4.02  KOEIEN MELKEN

In de Middeleeuwen had bijna elke boer één of meer koeien. Die moesten elke dag twee keer gemolken worden. In de winter stond het vee op stal, Soms sliepen mensen en dieren in één ruimte, want de koeien geven enorm veel warmte af en dan was het ’s nachts dus niet zo koud in huis. Om de koeien in de winter eten te geven werd er ’s zomers gehooid. Het gras werd in juni gemaaid met de zeis en in oppers te drogen gezet. Het droge hooi werd opgeslagen in de hooiberg Iedereen moest helpen, ook de (kleine) kinderen. Tot ver in de 20e eeuw (1900 - 2000)werd er zo gewerkt.

 

  Karel du Jardin: Vrouw die koe melkt                                                         Paneel  ∆

 

4.03  VALKENJACHT   

Vanaf de 13e eeuw (1200 - 1300) werd er in ons land gejaagd met valken (slechtvalk). Het is bekend dat graaf Floris V (de vijfde) op valkenjacht was toen hij door vijandelijke ridders werd gevangen genomen. De valken vielen ganzen, fazanten en patrijzen aan in de lucht en doodden die. De valkenier beloonde de valk met een lekker stuk vlees. De valk wachtte op de met een sterke leren handschoen beschermde arm met een kapje over zijn kop tot die erop af mocht. Valkerij (valkenjacht) was zowel een sport als op voedsel jagen. Tot op heden zijn er mensen met de valkenjacht bezig. De Brabantse plaatsen Valkenswaard en Leende waren beroemd om hun afgerichte valken.

 

NTR

 

4.04 MIDDELEEUWSE MAALTIJD

De mensen hielden overvloedige feestmaaltijden als er genoeg voedsel was. Vooral bij feesten als carnaval werd er volop geschranst. Maar het kon ook gebeuren dat er misoogst was of oorlog en dan was er hongersnood. In de herberg werden maaltijden opgediend voor groepen mensen.

 


Breughel: Middeleeuwse maaltijd                                          Paneel  ∆

4.05  PANNENKOEKEN

Niemand weet wanneer de eerste pannenkoek gebakken is. Waarschijnlijk werd er al in de prehistorie beslag gemaakt van eieren gemengd met meel, melk, kruiden en stukjes spek. Rond het jaar 1600 was de pannenkoek heel populair in Nederland.

De pannenkoek is één van de weinige oud Nederlandse gerechten die we tegenwoordig nog veel eten. Strijk over het plaatje om een hele lijst oud Nederlandse gerechten te bekijken.

http://oudhollands.zomaarwat.eu/oud_recepten.html 

 

Vrouw met pannenkoeken en een glas wijn: Jan van Bijlert 

4.06  TINNEN POTTEN  

De tingieter goot gesmolten tin in vormen van brons (mallen). Tin smelt al bij een temperatuur van 232º C. en brons pas bij meer dan 1000º C. Als de tingieter een goede mal had kon hij snel veel mooie tinnen kannen,kruiken, bekers, schalen, kommen en potten maken. Deze voorwerpen konden ook wel van zilver worden vervaardigd, maar dat was heel duur en dus alleen voor de rijken. Tin wordt wel het zilver van de armen genoemd. Als je het opwrijft met bijenwas gaat het mooi glimmen. De tingieter kon ook mooie afbeeldingen op of in het tin maken. Pas na 1600 wordt het keukengerei ook van geglazuurd aardewerk gemaakt. Langzamerhand gaan de mensen steeds meer aardewerk gebruiken. Tin was in de Middeleeuwen wat plastic voor ons is. Het was niet zo duur,en makkelijk te gebruiken. Je kon het snel weer smelten en er iets nieuws van maken.

              Paneel  ∆

4.07  TINNEN BORDEN

Op tinnen borden werden soms heel mooie afbeeldingen gemaakt door de tingieter. Ook werden er tinnen beeldjes gemaakt of tinnen soldaatjes die geverfd werden. Kinderen konden daarmee spelen. Tin wordt tegenwoordig wel het plastic van de Middeleeuwen, en de eeuwen erna, genoemd. Het was relatief goedkoop en was makkelijk te bewerken.

 

4.08  DE BAKKER

In het begin van de Middeleeuwen was brood een luxe. De meeste mensen aten graanpap, net als in de Steentijd. Als je brood wilde moest je het zelf bakken. Pas laat in de Middeleeuwen kwamen er in de steden de eerste bakkerijen. De eerste broodfabriek werd in 1856 in Amsterdam gesticht.

                           Paneel  ∆

 

4.09  LAKENINDUSTRIE  

Laken is de naam voor de grote wollen kleden die op weefgetouwen geweven werden. In de Middeleeuwen was vooral de stad  Leiden beroemd om zijn lakenindustrie. De ruwe wol was vet en vies. Die moest gewassen en gekamd (gekaard) worden voor er een draad van kon worden gesponnen.

 
Thuiswever                                                             Vollers aan het werk

4.10  BREIEN en BORDUREN

Ergens in de Middeleeuwen ontdekte iemand hoe je met twee pennen van een wollen draad een kleed kon breien. Een geweldige uitvinding was dat, want nu kon iedereen zijn eigen kleren maken.

 

Al voor het jaar 1500 hielden vrouwen zich bezig met borduurwerk, met een zijden draad op linnen vooral. Het meest in aanmerking kwamen de pronkgewaden van de adel en de kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders, zoals de bisschop. 

        

 Breister                                Schilderij Johannes Vermeer: Borduren  Paneel  ∆


   

4.11 MODE  

Rijke mensen wilden er graag deftig uitzien, zowel de mannen als de vrouwen. Van lakense stof, maar ook van fluweel en later van zijde werden de mooiste gewaden vervaardigd.

 

   

Johan van Oldenbarnevelt                 Jacoba van Beijeren in  pronkgewaad     met geplooide kraag                           

4.12  KAARS  

Hoewel de Romeinen de kaars al kenden werd hij pas in de Middeleeuwen in ons land veel gebruikt. Kaarsvet was toen gemaakt van bijenwas of varkens / rundervet (talg). Die laatste dropen, walmden en stonken enorm. De pit was gemaakt van katoen dat helemaal uit India moest komen. Kaarsen waren dus niet goedkoop. Vanaf ongeveer 1800 werd het dierlijk vet eerst geperst, zodat het beter geschikt was als kaarsvet. Dit noemde men stearine. De kaarsen van tegenwoordig zijn gemaakt van paraffine, een aardolieproduct.

       File:Kaarsemaakers.jpg

                                                    Kaarsenmakers                Paneel  ∆

 

4.13  TIJDMETING  

In de Middeleeuwen probeerde men de tijd van de dag te meten met een zonnewijzer. Om een korte periode te meten gebruikte men een zandloper.

Zonnewijzer                                          Zandloper


4.14  WAAG(SCHAAL)

In de Middeleeuwen moesten handelaren in kaas, boter en graan hun producten in het waaggebouw laten wegen. Zo konden ze niet oneerlijk doen. Wegen gebeurde met een grote weegschaal en geijkte gewichten door de waagmeester. De handelaar moest als belasting waaggeld betalen. Men kende het pond (480 gram) dat je kon verdelen in 16 ons (1 ons = 30 gram). Kilogram en gram werden pas door Napoleon in 1810 ingevoerd (metriek stelsel). Er schijnen vroeger wel vrouwen gewogen te zijn om vast te stellen of ze al of niet een heks waren.

De (heksen)waag in Gouda                                 Paneel  ∆

 

4.15  KERK  

In de dorpen was overal een heiligdom te vinden. Het stond vaak op de hoogste plek, dicht bij een beek of op een plek waar de mensen krachten in de aarde vermoedden. Het was van hout met soms een kring van stenen. De oudste heiligdommen zijn natuurlijk de hunebedden. De Romeinen voerden in de 4de eeuw (300 – 400) het Christendom in als staatsgodsdienst. Andere goden mochten niet meer aanbeden worden. Maar in ons land vertrokken de Romeinen in ongeveer  het jaar 400. Nog eeuwen werden hier de Germaanse en Keltische goden aanbeden. In de achtste eeuw (700 – 800) kwamen er zendelingen naar ons land toe en verkondigden het Christendom. Ze wilden dat de oude heiligdommen werden afgebroken. Op die plek werd dan een houten kerkje gesticht. In de twaalfde eeuw (1100 – 1200) werden die vervangen door romaanse stenen hallenkerkjes met soms later een toren eraan vast gebouwd. In de veertiende eeuw (1300 – 1400) werden er steeds meer gotische kathedralen met hoge torens met daarin een luidklok gebouwd. Ook vergrootte men de kerk met zijbeuken en / of een koor. Elke kerk had wel een orgel. In de achttiende eeuw (1700 – 1800) verschenen de uurwerken op de toren. In ons land staan nog heel veel Middeleeuwse kerken. Ze horen nu bij het cultureel erfgoed en staan onder monumentenzorg.

   

Martinikerk Groningen                      Orgel Bavokerk Haarlem 

        Website                               

 

4.16 BAKSTEEN

Meestal was de kerk het eerste stenen gebouw in een dorp. Ook werden er kastelen van steen gebouwd. Omdat er in ons land bijna geen natuursteen voorkomt werden de stenen van klei gebakken. Dit zijn de bakstenen. In de Middeleeuwen bakte men eerst nog de kloostermoppen. Die zijn heel groot. Later ging men ook kleinere bakstenen maken. Het werk in de steenbakkerij was heel zwaar. Toen de steden groter werden kwamen daar ook steeds meer stenen huizen en er werd een muur om de stad heen gebouwd met mooie poorten.

 

                            Paneel  ∆

4.17 KASTEEL

Het kasteel of slot was eigendom van iemand van adel, een edele. Hij eiste in ruil voor bescherming belastingen van de mensen die op zijn gebied woonden. Hoe rijker de edelman was hoe groter en mooier zijn kasteel. De muren waren heel dik en hoog. Erom heen was een slotgracht gegraven. De vijand kon komen en het kasteel belegeren met zijn soldaten. Er is vaak strijd gevoerd rond de kastelen.  

Muiderslot  

Zie ook:

Kastelen 1 NTR  Kastelen 2 NTR  Slingerblijde

Burcht L. NTR  Ridders NTR  Middeleeuwen

 

4.18  GASTHUIS  

In de steden bouwde men vaak een gasthuis. Dat was om zieke mensen te kunnen verzorgen. De verpleging werd dikwijls verzorgd door nonnen en monniken.

4.19  BUSKRUIT

 
Rond het jaar 1350 werd het buskruit uitgevonden.
Plotseling was het mogelijk om elkaar met kogels te beschieten.
Speciale wapensmeden gingen geweren, kanonnen en kogels  gieten.
In veel plaatsen werd een kruithuis gebouwd.

                 Paneel  ∆

  

4.20 STAD

Maastricht, Nijmegen, Utrecht, Voorburg en nog wat kleinere plaatsen zijn van Romeinse oorsprong. Eén van de eerste Middeleeuwse steden in ons land was Dorestad, gesticht door handelaren, die met hun schepen allerlei goederen kochten in bijvoorbeeld Duitsland en die weer verkochten in Engeland. Dorestad (Wijk bij Duurstede) is later verwoest door de Noormannen, maar andere steden uit die tijd als, Dordrecht en Vlaardingen bestaan nog steeds. Andere steden waren oorspronkelijk dorpjes die groot werden doordat een bepaalde industrie opbloeide waardoor er veel arbeiders nodig waren. Haarlem en Leiden bijvoorbeeld hadden veel textielwerkplaatsen. In andere steden werden weer veel schepen gebouwd.

Sommige steden zijn ontstaan rondom een kasteel of een klooster waar handwerkslieden of boeren bescherming zochten. Als er een plaats belangrijk werd kreeg ze stadsrechten. De graaf of de
hertog besliste daarover. Vanaf dat moment mocht de stad een muur of
wallen om de stad heen bouwen en een gracht graven. Steden als Assen en
Emmen zijn geen Middeleeuwse steden en hebben geen stadsrechten.
Toch zijn het tegenwoordig grote plaatsen. Andere plaatsen die ooit
stadsrechten kregen zijn klein gebleven. Voorbeelden zijn Friese steden
als Sloten en IJlst, bekend van de Elfstedentocht.
In de negentiende eeuw (1800 – 1900) werden bijna overal de muren en
wallen afgebroken. Hier en daar staat nog een restant overeind.
De grachten zijn vaak nog wel bewaard gebleven.

 

Stadsmuur Maastricht

Vesting  Straat M.Eeuwen  

In "In en om het huis" kom je 10 schilderijen van Pieter de Hooch tegen. (PP-presentatie)  Klik "notities" aan voor tekst.             

 Markt M.E.  Markt M.E.2 

4.21 HEER - HORIGE

 

De Romeinen hielden al van een luxe leven en velen van hen waren erop uit om rijk te worden. Om dit te bereiken kochten ze slaven en slavinnen op de slavenmarkt. In de Middeleeuwen lieten de edelen de mensen die op hun land woonden keihard werken. Het huis en het land was van de kasteelheer en van de opbrengst van de oogst moesten ze een groot deel inleveren. Ze mochten niet verhuizen en werden streng gestraft als ze wegliepen. 

       Paneel  ∆

 

4.22 BOEKDRUKKUNST

Al rond het jaar 1000 beschikten mensen over zegelringen. Hiermee konden ze een afbeelding in warme lak (bijenwas)drukken die dan afkoelde en hard werd (lakzegel). Een eeuw later ontstond de blokdruk. De drukker moest dan eerst alle letters en afbeeldingen van een bladzijde in spiegelbeeld uitsnijden op een houtblokje waarna deze gedrukt kon worden op een drukpers. Men maakte zo bidprentjes en vlugschriften (affiches) en later speelkaarten, maar ook wel boeken.

Rond 1450 ging men losse letters, eerst van beukenhout, later van  gegoten lood gebruiken. De losse letters en uitgesneden afbeeldingen  werden zorgvuldig in de drukvorm geplaatst en bladzij voor bladzij gedrukt. De boekbinder bond ze in en maakte er een kaft, van leer meestal, omheen. De afbeeldingen werden met de hand ingekleurd.

    

4.23 WATERMOLEN

Eigenlijk heet dit type een waterradmolen, omdat een windmolen die een polder droog maalt ook watermolen genoemd wordt. Je vindt ze alleen in heuvelachtig gebied waar beken stromen. Het stromende water drijft het rad aan. Het stromende water drijft het rad aan. D.m.v. tandwielen wordt de beweging overgezet naar een machine. Weverijen en papierfabrieken bijvoorbeeld maakten vroeger veel gebruik van de waterradmolen.

                          Paneel  ∆

4.24 GULDEN  

In de veertiende eeuw (1300 – 1400) was de fiorino d’oro = gouden florijn, uit de Italiaanse stad Florence, een veelgebruikt betaalmiddel. Graaf Willem V van Holland voerde hem in voor zijn graafschap, gevolgd door andere provincies. De munt was toen echt van goud (guld). Later sloeg men zilveren guldens.



4.25 HANDEL

In de Middeleeuwen gingen de Nederlanders steeds meer handel drijven. Hun zeilboten voeren de Rijn en andere rivieren op en langs de Europese kusten naar Engeland, Frankrijk, Zweden en Denemarken. Wat later gingen ze de Middellandse Zee op. Zo haalden ze allerlei goederen naar ons land en brachten ze ook weer veel weg om te ruilen. Gouden en zilveren munten kwamen steeds meer in gebruik als betaalmiddel. In de steden werden havens met aanlegkades gebouwd. Eenvoudige hijskranen, sleeptoestellen en karren werden gebruikt om de goederen in of uit de schepen te laden of te lossen en van of naar de pakhuizen te vervoeren.

                

4.26 KERKKLOK

De kerkklok werd boven in de toren opgehangen. Je kon het geluid in de verre omgeving horen. Hij werd elke (zon)dag geluid om de mensen op te roepen naar de kerk te gaan. Maar er werd ook geluid als er brand was, de vijand eraan kwam of bij overstromingen. Ook luidde de koster de klok bij het middaguur, bij begrafenissen en op feestdagen.

De oudste nog bestaande kerkklok in Nederland stamt uit 1284. Maar op afbeeldingen komen wel klokken uit de elfde eeuw (1000 – 1100) voor.
                                     Paneel  ∆

4.27 MARSKRAMER

Vanaf de veertiende eeuw (1300 – 1400) komen er steeds meer rondtrekkende handelaars. Ze vervoeren hun waren meestal in een grote mand die ze op hun rug dragen (mars = mand met handelswaar, kramer = koopman). Ze bezoeken de kermissen en markten om hun waren te verkopen. Onderweg doen ze ook boerderijen en kastelen aan. Soms reizen ze in groepen, soms alleen. Soms zijn ze van harte welkom, soms worden ze gewantrouwd en verjaagd omdat ze de mensen bedriegen. Ze reizen te voet en overnachten in de boerenschuren of hooibergen. Het zijn dus zwervers. Vaak komen ze uit Duitsland (kiepkerels) of zijn het joden of zigeuners. Andere rondtrekkende zwervers zijn hannekemaaiers, die de boeren kwamen helpen bij het maaien en hooien, ketellappers, schoenlappers en kwakzalvers. De laatsten beweerden dat ze je met allerlei middeltjes konden genezen van je kwalen. Marskramers waren er tot ± 1920. In de negentiende eeuw (1800 – 1900) bleven veel Duitse kiepkerels in ons land wonen en begonnen een bedrijf in textiel. Nakomelingen van hen zijn de eigenaren van bijvoorbeeld C&A Brenninkmeijer. Hun voorouders waren arme zwervers, zij zijn steenrijk geworden.

 
Jeroen Bosch: Marskramer                              Marskramer anno  ±1900          Paneel  ∆
   

                                                       Kiepkerel op het boerenerf ± 1900

4.28 SCHRIJFKUNST

Monniken schreven boeken over en tekenden er prachtige afbeeldingen in. Sommige boeken, vooral godsdienstige, gingen van klooster naar klooster en werden heel vaak overgeschreven. Ze maakten de boeken extra mooi door de randen van de bladzijde te versieren en soms plakte men heel dun uitgesneden versieringen van bladgoud in het boek met lijm gemaakt van eierdooier.



4.29 GANZENVEER

Ganzenveren waren sinds ongeveer 700 geliefd als pen. Alleen de grote slagpennen van de linkervleugel (voor rechtshandigen) kwamen in aanmerking.

Eerst moest de punt worden gesneden en het merg in de schacht worden verwijderd. Om de pen te harden werd hij een paar dagen in het water geweekt en dan in gloeiend heet zand gedroogd. Daarna nog even bijslijpen en klaar was de pen. Ook veren van kraaien en uilen werden gebruikt, vooral voor heel dunne lijnen. Zwanenveren waren nog het beste, maar heel duur. Echte liefhebbers zeggen dat je met een ganzenveer mooier kunt schrijven dan met een metalen pen.
                                              Paneel  ∆

4.30  KAARTSPEL 

Ongeveer in het jaar 1400 verschijnt het kaartspel in Europa. Het werd heel geliefd. Omdat de spelers gingen spelen om geld of hun plichten vergaten werd het hier en daar verboden. De klaveren stellen de boerenstand voor, de schoppen (speren) de edelen, de ruiten de kooplieden en de harten de geestelijke stand van de kerk.

 

4.31 MUZIEKNOTEN 

De paus en de keizer wilden graag dat in heel Europa dezelfde liederen gezongen werden. Monniken begonnen met een eenvoudig notenschrift, het neumenschrift. Later ontstond de Gregoriaanse notenbalk met vierkante noten, omdat de ganzenveer zo gesneden was. Na 1500 ontstaat langzamerhand het notenschrift zoals wij dat kennen.

  Madlot site  Madlot Youtube    Paneel  ∆

4.32 MUZIKANTEN 

Muzikanten speelden altijd op feesten, op de kermis en soms in herbergen of op de markt. Ze hoopten wat geld te verdienen met spelen. Later  ontstonden er orkesten waarin een groep muzikanten samen speelden.

In de Middeleeuwen ontstonden er heel veel liederen. Elke beroepsgroep had zijn eigen liedjes. Bijvoorbeeld zeemansliederen, soldatenliederen, boerenliederen. Ook waren er treur- liefdes- en strijdliederen. In latere tijden waren er ook altijd straatmuzikanten met een accordeon, draaiorgel of viool e.d. Reizende minstrelen, ook wel bard of troubadour (spreek uit: troebadoer) genoemd bezochten de kastelen om verhalende liederen te zingen. Ze waren van harte welkom, want ze brachten altijd nieuws mee vanuit andere streken en steden.

 

                                                                                                                 

4.33  SCHAAKSPEL 

Al in de elfde eeuw (1000 – 1100) werd er in Europa schaak gespeeld. Al waren de spelregels heel anders. De dame was toen bijvoorbeeld een zwak stuk. In de vijftiende eeuw (1400 – 1500) ontstond het schaakspel zoals we het nu nog spelen. Het werd veel gespeeld in herbergen en door edelen. Het damspel, aanvankelijk op een schaakbord en pas vanaf 1700 op een bord met honderd velden, werd ook vaak gespeeld, net als trictrac of backgammon, een oeroud spel, 

        Paneel  ∆
  
Website


4.34  KINDERSPEL

Speelgoed was er in de Middeleeuwen niet. De kinderen moesten meestal al op jonge leeftijd hard werken om te helpen  de kost te verdienen. Soms bleef er tijd over om te spelen, meestal buiten. Oude, wijdverspreide spelletjes waren: verstoppertje, blindeman, bikkelen, krijgertje, hoepelen, tollen, steltlopen, wippen op de ton, balspel, bokspel, hinkelen, knikkeren.

Pieter Breughel

4.35  ALCHEMIST

Alchemie werd al beoefend door de oude Egyptenaren en Chinezen. Later kwam deze kunst terecht bij de Romeinen. In de Middeleeuwen werkten de alchemisten voor edelen en koningen met het doel goud te maken uit lood. Ze probeerden allerlei geheimzinnige formules uit in een grote ketel. Ook probeerden ze de steen der wijzen te vinden en het elixer (drankje) voor het eeuwige leven. Alchemisten bleven bezig tot in de achttiende eeuw (1700 – 1800).

Ze werden ook wel magiër of tovenaar genoemd. De wereld van de zwarte kunst was voor de gewone mensen onbegrijpelijk. Soms werden magiërs vereerd, maar ook werden ze wel vervolgd net als de heksen. Over een moderne magiër wordt verteld in de boeken van Harry Potter.
                    Paneel  ∆
Alchemist: Davide Teniers de Jonge                                                                                  

4.36  HEMEL HEL 

In de Bijbel staan verhalen over de hemel en de hel waar mensen na het sterven heen gaan. De slechte mensen gaan naar de hel en de goede mensen misschien naar de hemel, tenminste als zij geloven in de verlossing door Jezus Christus, de Zoon van God. De pastoor kwam altijd de stervende bezoeken en diende hem / haar het laatste oliesel of ziekenzalving toe met een Latijnse spreuk. Vertaald:  "Moge onze Heer Jezus Christus door deze heilige zalving en door Zijn liefdevolle barmhartigheid u bijstaan met de genade van Zijn Heilige Geest. Moge Hij u van zonden bevrijden, u heil brengen en verlichting geven.” Bij de ziekenzalving streek de priester gewijde olijfolie op de handen, mond, neus, oren en ogen. Het oliesel werd ook wel het laatste sacrament genoemd. Biecht en communie zijn ook sacramenten.  


Schilderij Jeroen Bosch

4.37  PROCESSIE 

Waarschijnlijk al vanaf de steentijd waren mensen gewend om een beeld van de moedergodin of van andere goden  in optocht met zich mee te dragen naar een heilige plek. De Romeinen hielden ook optochten ter ere van Jupiter, andere goden en de keizer. In de Middeleeuwen droeg men een beeld van Maria, een heilige of een reliekschrijn mee. Processies worden tot op vandaag in veel landen gehouden.

 
Processie anno 2012                     Middeleeuwse processie                     Paneel  ∆


Pieter Breughel de oudere, schilderij

4.38  ZIEKTES

De mensen wisten totaal niet hoe het kwam dat iemand ziek werd. Het was vast een straf van God, omdat mensen slecht leefden of zondig waren. Wel begrepen ze dat er besmettelijke ziektes waren en dat je elkaar dus ziek kon maken. Veel mensen gingen dood aan een ontsteking door vervuiling. Hygiëne en goede medicijnen waren onbekend. Het drinkwater was vaak vies. Wel was er de volksgeneeskunde. Kruidenvrouwtjes hadden een oeroude overgeleverde kennis van geneeskrachtige planten. In de kloosters kweekten de monniken en nonnen geneeskrachtige planten, soms ingevoerd uit het buitenland. Er waren ook chirurgijns (artsen) die probeerden iemand te genezen door een heleboel bloedzuigers op het lijf te plaatsen of iemand te aderlaten. De ergste besmettelijke ziekte was de pest. In 1350 was het er ineens (weer). In korte tijd stierven duizenden mensen. In sommige steden en dorpen stierf een kwart van de bevolking. De ziekte werd overgebracht door ratten uit Oost Europa die op schepen meevoeren. De ratten droegen vlooien die de bacterie overbrachten door ook mensen te bijten. Maar niemand wist dat. Andere besmettelijke ziektes waren pokken, mazelen, tuberculose, cholera en lepra (melaatsheid).

 
Pestbestrijder                                                      Bloedzuigers
   

Pestlijders                                                             Geneeskrachtige Kruiden     Paneel  ∆

Kloostertuin

4.39  BIJGELOOF

Omdat veel mensen erg bang waren voor ziekte, rampen en de hel geloofden ze heilig in slechte of goede voortekenen. Sommige dieren brachten ongeluk zoals vleermuizen en een (zwarte) kat en de ekster als ongeluksvogel. Hoefijzers en klaver vier brachten weer geluk, een heksenkring ongeluk. Erger was het geloof in het boze oog, dat bepaalde mensen konden hebben. Als je daarvan beschuldigd werd wilde niemand meer iets met je te maken hebben. Een zons- of maansverduistering bracht grote paniek. De kerk verbood het bijgeloof, maar deed er zelf aan mee door relikwieën en aflaatbrieven te verkopen. Ook tegenwoordig zijn veel mensen bijgelovig, zoals sommige sporters voor een belangrijke wedstrijd. Aflaat

 
Koortsboom                                                  Zonsverduistering                Paneel  ∆

4.40  FEESTEN

In de Nieuwe Steentijd en de Brons / IJzertijd werden alle feesten voor de moedergodin of de goden gevierd. Elk feest had te maken met het jaargetijde en een goede oogst of jacht. Het Christendom viert eigenlijk dezelfde feesten, maar die heten dan anders. Zo kwam Kerst in de plaats van het Joelfeest op Midwinter en Pasen verving het Lentefeest. De zondag was voortaan rustdag, maar je was wel verplicht om de Heilige Mis in de kerk mee te vieren. Carnaval, het zottenfeest, werd en wordt heel uitbundig gevierd. Maar daarna moesten de feestvierders veertig dagen vasten!

   
Kermis :Pieter Breughel                             Midwinterhoorn blazen

Carnaval :  Pieter Breughel  Filmpje                                                    Paneel  ∆   

4.41  RELIKWIE / HEILIGEN

Elke kerk had een eigen patroonheilige. Dat was iemand die (lang geleden) overleden was en heel gelovig of heel menslievend was geweest. Zo iemand werd heilig (dicht bij God) verklaard en vereerd. Men geloofde bijvoorbeeld dat de heilige vanuit de hemel nog goede dingen voor het dorp of de stad deed en wonderen verrichtte bij de genezing van een zieke . Al in de steentijd en de bronstijd vereerde men schedels en botten van de voorouders. Om de heilige te smeken in het gebed dachten de mensen dat het zou helpen als men een gebruiksvoorwerp, een haarlok of zelfs een botje van de persoon zou bewaren en vereren. Deze botten en voorwerpen noemen we relikwieën. Veel relikwieën werden bewaard in een prachtig kistje, met goud en edelstenen versierd, een reliekschrijn. Sommige heiligen waren niet alleen in hun eigen plaats bekend, maar door het hele land of wereldwijd. Zo werden de martelaren die gestorven waren om het geloof in de Romeinse tijd, pausen, kerkvaders en de metgezellen van Jezus, zoals de oude apostelen en moeder Maria, overal vereerd. De bekendste heilige in Nederland is Sint Nicolaas, beschermheilige van o.a. de zeelieden. Zijn naamdag, 6 december, werd vanouds herdacht en wordt tot op vandaag de avond ervoor in Nederland op grote schaal gevierd als pakjesavond. Maar ook Bonifatius wordt nog vereerd in Dokkum.

Om een relikwie van een heel bekende heilige te bemachtigen werd er geld ingezameld en probeerde men iets te kopen in een andere plaats of zelfs ver weg in het buitenland. Ook een splinter van het kruis van Jezus was veel waard. Het valt te begrijpen dat er enorm veel bedrog voorkwam, want niemand kan controleren of een relikwie echt is. Veel mensen hadden en hebben nu nog een afbeelding of een beeldje van heiligen in huis. Ook de Rooms Katholieke Kerk heeft schilderijen, gebrandschilderde ramen en beelden in de kerk. Veel mensen gingen een zogenaamde bedevaart maken naar een plek ergens in Europa of zelfs naar het Heilige Land om een heilige te vereren. Als ze terugkwamen hadden ze soms een beeldje of een bidprentje bij zich. De kerk van Roden is genoemd naar de heilige Catharina en de grote kerk in Groningen naar Sint Martinus (Martinitoren).

 

Heilige met stralenkrans                                Sint Nicolaas

Reliekschrein                                                                              Paneel  ∆

4.42  STUMPERS

Als je een ontsteking aan je arm of been kreeg of je zwaar verwond werd dan zat er meestal niks anders op dan de arm of het been af te (laten) zagen. De patiënt kreeg veel  sterke drank (brandewijn) om hem of haar zo goed mogelijk te verdoven. Drie mannen waren er wel nodig om iemand in bedwang te houden. De stomp werd afgebonden en hopelijk genas de wond. Veel mensen stierven alsnog door bloedvergiftiging of bloedverlies. Mensen met één of meer stompen werden stumpers genoemd. Ze moesten zich vaak voortbewegen op een aangebonden kunstbeen in de vorm van een paaltje of staak. Daarom heetten ze ook wel stakker.

 

De kreupelen: Schilderij Pieter Breughel de Oudere (detail)

4.43  KLOOSTER

De naam betekent afgesloten ruimte. Sommige mensen wilden niks meer te maken hebben met de onveilige, ruwe  wereld en zich terugtrekken in een vreedzame omgeving om zich aan God en de medemensen te wijden. Deze mensen werden non of monnik in een klooster. Daar was een abt de leider.  Er heersten strenge regels. Zo moest je in een koude, kale ruimte slapen op een hard bed. Je moest een pij (ruwe mantel) dragen. Het eten was karig. Je moest meedoen aan de kerkdiensten in de kloosterkapel. Veel monniken leerden een vak. Sommigen werden metselaar, wever, tuinier enz. Anderen konden prachtig schrijven. Ook werkten zij aan het ontginnen van land en het aanleggen van dijken en polders.

Monniken  klooster (schoolplaat Isings)                                                 Paneel  ∆

 

4.44  DUIVEL - HEKS

In de evangeliën wordt verteld over satan, de boze, ook wel duivel genoemd. Hij is de grote tegenstander van Jezus. In een ander verhaal staat dat hij eerst een aartsengel van God was met de naam Lucifer. Hij was jaloers op God en wilde zich gelijk stellen aan Hem. Samen met andere ontevreden engelen keerde hij zich af van God. Maar die verdreef de bende slechte engelen uit de hemel. De gevallen engelen werden demonen en Lucifer (Satan) werd hun leider. Hij probeert de mensen te verleiden kwade dingen te doen. Zo kon je je ziel aan de duivel verkopen. De kerk waarschuwde, want als je dat deed was je verloren en ging je als je stierf naar de hel. Je moest vroom leven, veel biechten, goed zijn voor je medemensen en heel vaak naar de kerk gaan en vooral veel betalen aan de kerk. Dan had je kans dat de duivel geen macht over je kreeg. Door te betalen voor een zogenaamde aflaat kon je je zonden afkopen en ging je toch nog naar de hemel ook al had je veel kwaad gedaan. De Middeleeuwers waren doodsbang voor de duivel. Hij werd vaak als een vreselijke engerd afgebeeld op schilderijen en als beeld op de kerk. Kinderen werden doodsbang gemaakt voor de duivel. Sommige monniken konden de duivel verdrijven als die “in iemand gevaren was”. Een vrouw die een beetje vreemd deed werd wel voor heks uitgemaakt. Soms eindigde ze haar leven op de brandstapel. De Franse heldin Jeanne d 'Arc, die haar volk van de Engelse overheersers wilde bevrijden, werd van hekserij beschuldigd en op de brandstapel vermoord.

         

Jeanne d'Arc op de brandstapel   Middeleeuws beeld van de duivel       Paneel  ∆

Herman Anton Stilke 

4.45 DRIE-EENHEID

Al in de Nieuwe Steentijd en de Brons / IJzertijd kenden de mensen de moedergodin in drie verschijningen: Het jonge meisje (nieuwe maan /eerste kwartier), de moeder (volle maan) en de oude vrouw (oude maan / laatste kwartier). De Egyptenaren kenden Osiris, Isis en Horus als drie-eenheid. De Romeinen hadden Jupiter-Juno-Minerva en de Germanen kenden Wodan-Donar-Freia als belangrijkste goden. Het Christendom eerde God als Vader, Zoon en Heilige Geest. In en op veel kerken zien we in de muren nog sporen van de drie-eenheid in de vorm van drie ronde bakstenen.

 

  
De Drie-eenheid in baksteen boven de ingang van de Catharinakerk in Roden    Paneel  ∆

4.46 ZENDELING

Bekende zendelingen waren Willibrord, Bonifatius en Liudger. Strijk over het plaatje om op de website van de Canon van Nederland te kijken.

 

4.47 ADEL - KEIZER

Strijk over het plaatje om op de website van de Canon van Nederland te kijken.

4.48 BIJBEL

De zendelingen hadden al een Bijbel bij zich. Het waren dikke, zware boeken met een leren kaft. Bonifatius schijnt de zwaardslagen van zijn moordenaar met zijn Bijbel te hebben afgeweerd. De eerste Bijbels werden heel precies overgeschreven door monniken en voorzien van prachtige afbeeldingen. Later werden ze gedrukt.

      
     
 

Schutblad van Liesveldt Bijbel                                                                  Paneel  ∆

4.49 MARIA-VERERING

In de prehistorie eerden de mensen de Grote Moeder, de Moeder van alles wat leeft (Moeder Natuur). Er wordt wel beweerd dat Maria, de moeder van Jezus, die plaats heeft ingenomen. Vanouds staan op kruispunten en op oude heilige plekken kapelletjes en beelden van Maria, soms met het Kind. In elke Rooms Katholieke Kerk is een beeld van haar te vinden. Soms wordt zo’n heilig beeld meegedragen tijdens een processie. Ook bestaan er onnoemelijk veel schilderijen met haar beeltenis en zijn er talloze liederen geschreven over haar. Vaak heeft ze een kroon op. Een Mariabeeld wordt ook wel de Madonna genoemd.
Beroemd is de zogenaamde verschijning van Maria in Lourdes, waar nog steeds elk jaar duizenden genezing komen zoeken bij de geneeskrachtige bron.


 

 

4.50  REGERING – STATEN GENERAAL

Strijk over het plaatje om op de website van de Canon van Nederland te kijken.

                                                    Paneel  ∆

 

4.51  HANZE

 Strijk over het plaatje om op de website van de Canon van Nederland te kijken.

  Handel

 

4.52  ERASMUS HUMANISME

 Strijk over het plaatje om op de website van de Canon van Nederland te kijken.

                                                          Paneel  ∆

 

4.53 KEIZER KAREL V(VIJFDE) )

 Strijk over het plaatje om op de website van de Canon van Nederland te kijken.

 

4.54  HERVORMING

 Strijk over het plaatje om op de website van de Canon van Nederland te kijken.

                                                             Paneel  ∆

4.55  VERENIGDE NEDERLANDEN

 Strijk over het plaatje om op de website van de Canon van Nederland te kijken.

 

4.56  HOEFIJZER

De Romeinen maakten wel een soort ijzeren sandalen voor hun
paarden, maar besloegen ze niet.
Pas in de Middeleeuwen worden paarden beslagen met hoefijzers
door de (hoef)smid. 




















In de 17e en 18e eeuw waren er honderden Nederlandse schilders die het dagelijks leven hebben vastgelegd. De meeste van hen zijn (bijna) vergeten. Dank zij internet kunnen hun schilderijen weer gezien worden. Hiernaast staan enkele thema's in galerijen verzameld. Zo kun je mooi kennis maken met de Nederlandse schilderkunst uit vervlogen jaren.
Deze galerijen zijn gemaakt met Powerpoint on line. Je kunt dat gratis gebruiken als je een MSN- of Outlookaccount hebt bij Microsoft.  Ook hierbij is het het handigste als je de knop met de linkermuisknop aanklikt en dan boven in het venster "Koppeling in nieuw tabblad openen" aanklikt  Daarna even de nieuwe tab aanklikken. Je kunt dan makkelijker terugkeren naar de website.  »»
                                                           Paneel  ∆

 
Hoefsmid beslaat paard


 Galerij 1        Galerij 2       Galerij 3       Galerij 4    
In en om het huis        Winters Nederland      Stad en dorp.             Beroep en arbeid.
in de 17e / 18e eeuw.    in de 17e eeuw
                                  Hendrick en Barend
                                  Avercamp.

Galerij 5
Kinderen in de
17e en 18e eeuw.


Onderstaande galerijen zijn ongeveer dezelfde als bovenstaande, maar dan niet als powerpoint.

Galerij 1       Galerij 2                                           
Galerij 5
In en om het huis       Winters NL                                                     Schepen

                                Schaatsenmuseum.nl  


Terug naar begin

Paneel 5:                   UITVINDINGEN en ONTDEKKINGEN             
5.01
Pijp roken
5.02
Tabak
5.03
Koffie
5.04
Cacao
5.05
Suiker
5.06
Kol.waren
5.07
Rijst
5.08
Aardappel
5.09
Suikerbiet
  5.10
Boekweit
5.11
Visvrouw
5.12
Kruidenier
5.15
Walvisvaart
         
boy161.gif 5.16
Katoen
5.21
Spinnewiel
5.22
Weefgetouw
5.23
Hoepelrok
5.26
Klomp
       
5.13
Oliestel
5.14
Wasmachine
5.17
Delfts Blauw
5.18
Turfstook
5.19
Brandspuit
5.24
Kachel
5.25
Olielamp
5.27
Straat
verlichting
5.28
Beerwagen
  5.29
Lucifer
5.30
Stoof
5.34
Dienstmeid
5.35
WC
5.45
Bedstee
5.47
Bloembollen
     
CHARIOT.gif 5.31
Kompas
5.32
Postkoets
5.33
Trekschuit
5.38
Slepers
5.39
Stoomboot
5.40
Postzegel
5.41
Electriciteit
5.42
Fotografie
5.43
Bankbiljet
  5.44
Fiets
5.46
Heraut
5.48
Barometer
5.50
Telegraaf
         
5.20
Microscoop
5.49
School
5.53
Poppenkast
5.54
Bellen
blazen
5.55
Metriek
stelsel
5.57
Kinderboek
5.58
Zeebad
5.51
Apotheek
5.52
Kwakzalver
5.56
Tang-
verlossing
CANON 5.36
Atlas v.
Blaauw
5.37
Ontdekkings
reizen
5.59
Windmolen
5.60
Grachten-
huizen
5.61
Staten-
bijbel
5.62
Schilder-
kunst
5.63
Buiten-
huizen
5.64
Planetarium
5.65
Stoomtrein
  5.66
Ned. Indië
5.67
Kinder-arbeid
5.68
Vrouwen-
emancipatie
         


5.01 PIJP ROKEN

Toen de tabak populair werd in Europa gingen steeds meer mensen pijp roken. De eerste pijpen waren van witgebakken pijpaarde (klei). Engelse soldaten die het vak beheersten gingen ze vanaf 1617 in Gouda maken. Later werd daar het pijpmakersgilde opgericht. Goudse pijpen kon je door heel Europa vinden. Omdat tabak heel duur was hadden de pijpen maar een kleine kop en ze waren breekbaar. Lange tijd waren er duizenden mensen werkzaam in de pijpenbakkerijen van Gouda.

 

5.02 TABAK

Columbus, de eerste Europeaan in Zuid Amerika, zag de
indianen tabak gebruiken. Ze rookten een soort sigaren
van opgerold tabaksblad of kauwden op de bladeren.
Andere indianen rookten met elkaar de vredespijp.
Voor hen was tabak heilig. Tabak roken gaf een prettig,
ontspannen
gevoel. In 1518 werd de tabaksplant naar Spanje gehaald
en daar gekweekt. De Fransman Jean Nicot (nicotine) zorgde
ervoor dat de
tabak in heel Europa populair werd. De West-Indische
Compagnie heeft veel tabak uit Amerika waar grote plantages
waren en nog zijn naar Europa vervoerd.
Eerst in Spanje en Frankrijk, vanaf 1820 ook in Nederland,
werd de sigaar populair. In Kampen kwam de eerste
(huis)industrie, later ook in Veenendaal en de omgeving van
Eindhoven. Veel mensen teelden zelf tabak en rolden
met de hand de sigaren. Sigarenmaker was een vak.
Na de eerste wereldoorlog (1918) werd sigaretten
roken en shag draaien populair.
ROKEN KAN DODELIJK ZIJN
is een waarschuwing
die vanaf 2000 op alle tabaksartikelen vermeld staat.

             Paneel  ∆  

Tabaksplant                              Sigaar in wording 

 

 Sigaar maken

5.03 KOFFIE en THEE

De koffieplant is afkomstig uit Ethiopië en werd vanaf 1700 op Java en later ook op Sri Lanka (Ceylon) en in Zuid Amerika verbouwd. Rond 1700 kwamen er de eerste koffiehuizen (café). Vanaf 1750 is het na thee, de populairste drank in Nederland en in de meeste Europese landen. Koffiebonen moeten eerst gebrand worden voordat ze geschikt zijn om er koffie van te zetten.

Thee is afkomstig uit China. In de 18e eeuw was thee alleen voor de rijken. Ze bouwden zelfs theekoepels in de tuin. De Nederlanders legden later theeplantages op Java aan en er ontstond een winstgevende handel. Toen thee goedkoper werd werd het de populairste drank in Nederland. 

  

Koffieplant                          Theeplant                                               Paneel  ∆  

  

Theeplantage Indië     Koffie D.E.

5.04 CACAO

Al in 1519 ontdekten de Spanjaarden in Zuid Amerika de cacaoboon.

Het woord chocolade is afgeleid van de naam van de Incagod

Quetzacoatl. Toen de cacao in Europa kwam werd er de eerste eeuwen alleen chocoladedrank van gemaakt die heel duur was. Pas na 1800

kwamen er chocoladefabrieken en werden chocoladerepen e.d. die betaalbaar waren voor gewone mensen veel verkocht. Bekende chocolademerken waren Droste, van Houten en Blooker.

   bron: Koehler (1887) 

Tak van de cacaoboom                        Cacaoboon                                    Paneel  ∆

                                               

5.05 (RIET)SUIKER

Rietsuiker groeide oorspronkelijk in India. Toen de Europeanen in de 16e eeuw ontdekten hoe lekker het was werd het ook geteeld in andere tropische landen, zoals Zuid Amerika en Indonesië.

 

      

Suikerriet                                       Verpakking ± 1930     Suiker NTR Paneel  ∆

5.06 KOLONIALE WAREN  

Datzijn kruiden en zaden afkomstig uit tropische landen
als Indonesië (Indië). Ze werden ook wel specerijen
genoemd. Peper was het belangrijkste kruid. Al in de
Middeleeuwen geloofden veel mensen dat peper
geneeskrachtig was. Het was daarom heel duur.
De Arabieren kenden de weg naar Indië en verkochten
de specerijen aan handelaren uit Venetië en Genua, die
ze weer doorverkochten aan de Europese markten.
In de 16e eeuw hadden de Portugezen de weg naar Indië
ontdekt en begonnen zelf een voordelige handel.
In 1580 veroverde Spanje Portugal en nam die handel over.
In de 17e eeuw gingen de Nederlanders een belangrijke
rol spelen.

 

 

5.07 RIJST

Rijst komt oorspronkelijk uit China. Al in de Middeleeuwen werd het verkocht door handelaren uit het oosten (Venetië). In Nederland en België was rijstebrij al in de 16e eeuw een heerlijk gerecht. Na de rijstebrijberg kom je in Luilekkerland volgens het sprookje uit die tijd. De Nederlanders haalden het later ook uit Indië (Indonesië) waar het verbouwd werd op de sawa. Na 1700 gingen de Nederlanders die in Indië kwamen steeds meer rijst eten. In de 20e eeuw kwamen er overal in Nederland Chinees-Indische restaurants met nasi als belangrijkste rijstgerecht.

                                         

Luilekkerland/rijstebrijberg: P.Breughel de oudere                            Paneel  ∆

5.08 AARDAPPEL

Is afkomstig uit Zuid Amerika (Peru Chili). De Spanjaarden namen ze mee en monniken gingen ze kweken in de kloostertuinen. In de 18e eeuw (1700 – 1800) werd de aardappel langzamerhand een volksvoedsel. Heel veel mensen gingen ze eten. Ze waren heel geschikt om mee te nemen op lange zeereizen. De zeevaarders kregen geen scheurbuik als ze aardappels aten ontdekte men. In 1938 kwam de zeer schadelijke coloradokever naar Nederland en beschadigde de oogst door al het blad van de plant op te eten.

 

 

NTR 1                                     Coloradokever 

5.09 SUIKERBIET  

Werd gekweekt uit de voederbiet. In de 19e eeuw
(1800 – 1900) kwam bietsuiker langzamerhand in
plaats van rietsuiker in gebruik, omdat het goedkoper
was en net zo lekker. In de suikerfabriek worden de
bieten gekookt en wordt de suiker eruit gehaald
(raffinage). In de Hongerwinter (1945) werd de
suikerbiet wel geraspt en gegeten, hoewel hij keihard is.
Soms hollen kinderen een suikerbiet uit om een lampion
voor Sint Maarten te maken.

                                                                                                          Paneel  ∆  

5.10 BOEKWEIT

Is afkomstig uit Azië. Het werd vanaf 1400 al in Nederland verbouwd, maar pas later op grote schaal. Het groeide op arme grond (zand) veel beter dan tarwe of zelfs rogge. Daarom is het in Drenthe veel verbouwd. Ook op verbrand hoogveen kon je het telen. Helaas kon een late nachtvorst de hele oogst vernielen. Na de invoer van kunstmest verdween de boekweit bijna helemaal van de Nederlandse velden.

 

5.11 VISVROUW

Zij verkocht de vis die haar man ving op zee of in de rivier. Soms ging ze van huis tot huis, soms stond ze op de markt. Ze moest ook de netten van de visser repareren (boeten). Ze leefde met haar kinderen in enorme spanning als het stormde. Zou hij weer terugkomen of met man en muis in de storm vergaan? De vissersscheepjes werden na thuiskomst met man en macht en paarden het strand opgesleept, want er waren nog geen vissershavens. 


  De visverkoper, Van Ostade

Visvrouw 19e eeuw (1800-1900)       Visverkoper: Adriaan v. Ostade        Paneel  ∆  

   Scheveningen  Nettenboetster                                                    

5.12 KRUIDENIER

Rond 1600 kwamen er kruidenierswinkels, ook wel grutters genoemd. Daar konden de mensen allerlei droge levensmiddelen kopen die niet gauw konden bederven. Heel belangrijk werd de verkoop van kruiden en specerijen uit overzeese, tropische gebieden, zoals peper en nootmuskaat. Alle waren lagen opgeslagen in grote jute zakken of houten kuipen. Lijnolie zat in een ijzeren tankje. Het rook er altijd lekker. De bestellingen werden precies afgewogen op een bascule (weegschaal) en in een (punt)zak meegegeven. Loopjongens brachten bestellingen bij de mensen thuis.

                                                                                            Paneel  ∆  

5.13 OLIESTEL

Rond 1860 gingen de mensen naast hun olielampjes en kaarsen petroleumlampen gebruiken. Deze hadden een verstelbare lont.
Het was een prima uitvinding. Al gauw werden er toen ook
petroleumstellen verkocht. Voortaan hoefde men niet meer
op een hout / turffornuis te koken, maar werd het eten
klaargemaakt op een petroleumstel. Nog steeds wordt het
gebruikt door sommige mensen om bijvoorbeeld stoofvlees
of stoofpeertjes te bereiden.

 

5.14 WASMACHINE  

De eerste wasmachines moest men met de hand bedienen, net als
de mangel en later de wringer. Ze bestonden al voor 1900. 
Rond 1930 konden rijke mensen een elektrische wasmachine
kopen. Pas vanaf 1950 werd die voor meer mensen betaalbaar.
Je kon ze in die tijd ook huren. Ze werden dan meestal op
maandag gebracht en later weer opgehaald.

 

5.15 WALVISVAART 

Na 1600 gingen veel Nederlanders op walvisvaart.
Op de eilandengroep Spitsbergen (Svalbard) in de Noordelijke
IJszee werd de nederzetting Smeerenburg gebouwd.
Daar werden de gevangen walvissen aan land gebracht en geslacht.
Van het spek werd traan gekookt, een soort olie die men voor
van alles kon gebruiken, lampenolie en stopverf bijvoorbeeld.
De baleinen werden gebruikt om hoepelrokken en paraplu’s van te maken. En het vlees werd als een lekkernij beschouwd.
 

Schilderij: Ned. walvisvaarders, Abraham Storck                               Paneel  ∆  

5.16 KATOEN  

Is afkomstig uit Egypte, maar ook uit Amerika (een andere soort). Je kunt er prachtige draden van spinnen en textiel van weven.

Typische waren van katoen zijn: babytextiel, handdoeken, beddengoed, ondergoed, werkkleding, blouses en overhemden en nog veel meer. Vaak wordt er nylon- of polyesterdraad en katoen gemengd geweven.

 

5.17 DELFTS BLAUW

In de 17e eeuw (1600-1700) haalden de Nederlanders en
andere Europeanen prachtig porselein uit China. Dat werd voor
veel geld verkocht aan de rijke mensen. In o.a. Delft gingen zgn. plateelbakkers het namaken. Omdat het niet van ver kwam was
het Delfts Blauw veel goedkoper dan het Chinese porselein.
Vandaag de dag moet je veel geld betalen voor antiek Delfts
blauw, maar het wordt nog steeds geproduceerd door fa. de
Porceleyne Fles in Delft.

   

 

5.18 TURFSTOOK

Vanaf de Middeleeuwen gingen steeds meer mensen
turf verbranden in plaats van hout. In Holland groeven de
verveners gewoon diepe gaten in het landschap.
Zo zijn de Kralingse-, de Nieuwkoopse plassen, de
Haarlemmermeer en nog meer plassen ontstaan.
Vanaf 1600 begonnen ze het Bourtanger Veen en later
de Drentse venen af te graven. Hier ontstonden de
veenkoloniën.
De turven werden per turfschip naar West Nederland
vervoerd.
Toen de steenkoolmijnen geopend werden was er minder
turf nodig en werd de afgraving gestopt.
Er was ook weinig turf meer over.

  

Turven                                           Turfschip                                                         Paneel  ∆  

 

   Turfsteker                                          Filmpje                           

5.19 BRANDSPUIT  

In de 17e eeuw waren veel huizen in Amsterdam en andere steden nog van hout en stonden dicht op elkaar met nauwe straatjes. Als er brand uitbrak, doordat bijvoorbeeld een kaars omviel, moesten alle burgers verplicht helpen bij het blussen om te redden wat er te redden viel. Iedereen pakte een emmer en in een mum van tijd ontstond er een keten van mensen om en om van de brand naar de gracht. De volle emmers werden snel doorgegeven. Jan van der  Heijden vond een pomp uit. Hiermee kon je het water langs een leren slang oppompen uit de gracht en de straal op het vuur richten. Dat was al een enorme verbetering. In de 19e eeuw kwam er een stoompomp.

  

                                                                                          Paneel  ∆  

5.20 MICROSCOOP   

Men had geen flauw vermoeden van het leven dat met het blote
oog niet te zien was. Ook wist men niet goed hoe kleine insecten,
bloed en stuifmeel er uitzagen. Antoni van Leeuwenhoek echter
vond de microscoop uit. Voortaan konden geleerden de
onzichtbare wereld in bijvoorbeeld een druppel slootwater 
bestuderen en natekenen. Veel mensen raakten diep onder de
indruk dat er zulke kleine beestjes bestonden. Later ontdekte
men dat bacteriën ziektes konden veroorzaken.

  

 

5.21 SPINNENWIEL        

In de 16e eeuw (1500-1600) werd het met de voet

aangedreven spinnewiel uitgevonden. Voortaan konden de

spinsters veel sneller een draad spinnen. Daarvoor werd de

draad met een eenvoudige spintol gesponnen (zie 1.10).

 

 

                                                                                                        Paneel  ∆  

5.22 WEEFGETOUW   

Eeuwenlang hebben wevers met een weefraam gewerkt. Heel moeizaam en langzaam ontstond er een doek. Met een weefgetouw ging het sneller. Veel boeren(arbeiders) hadden in de huiskamer een weefgetouw om in de winter er wat bij te verdienen. In de 18e eeuw (1700 - 1800) ontstond het gemechaniseerde weefgetouw en ook de eerste textielfabrieken.

  Weven

5.23 HOEPELROK

In de 18(1700-1800, pruikentijd), maar ook in de 19e eeuw (1800-1900) droegen deftige dames vaak een hoepelrok of crinoline. Deze was gemaakt van walvisbaleinen of van metaal (ijzer). De taille (middel) was zo strak mogelijk ingesnoerd. Op hun hoofd droegen ze een hoge gepoederde pruik. Als ze moesten plassen gingen ze gewoon even naar buiten en deden wijdbeens hun behoefte. Een andere manier was niet mogelijk.

   

 

5.24 KACHEL   

Rijke mensen hadden vanaf ongeveer 1700 al gietijzeren stookapparaten. Voor de gewone mensen werd de kachel pas vanaf ongeveer 1800 betaalbaar. Het waren gietijzeren potten met deksel en met een pijp naar de schoorsteen. IJzer gieten was nieuw in de 19e eeuw. Het ijzererts moet tot 1340° worden verhit. Ook waren er zogenaamde tegelkachels met een stenen mantel. Vóór die tijd waren er alleen open haarden met een stookplaat en een asla. De meeste warmte verdween door de schoorsteen. De brandstof was hout en (dure) turf.

IJzer gieten    

IJzer gieten                                                                            Paneel  ∆  


5.25 OLIELAMP   

Eeuwenlang werden de huizen ’s avonds verlicht door de
kleine platte olielampjes en door kaarsen. De uitvinding
van petroleum zorgde ervoor dat men met een petroleumlamp
het huis veel beter kon verlichten. Petroleum was voor de
meeste mensen nog betaalbaar ook. De petroleum werd thuis
bezorgd door het oliemannetje met zijn handkar vol vaten
petroleum. Petroleum werd ook gebruikt om  te koken op het
petroleumstel en voor de petroleumkachel. Petroleum is net als
benzine zeer brandbaar en explosief, dus het brandgevaar was
niet minder geworden. Vanaf 1820 kwam er in de steden ook
langzamerhand gasverlichting. Maar daarvoor moest wel een
gasfabriek gebouwd worden en een leidingnet worden aangelegd.

 

 

Olieman met hondenkar (anno 1910-1950)                                                        Paneel  ∆  

5.26 KLOMP

Vanaf het eind van de 16e eeuw (1500-1600) werden er steeds
meer klompen in Nederland gedragen. Het hoogtepunt was
omstreeks 1900. Elk dorp had een klompenmaker.

  

5.27 STRAATVERLICHTING

De Nederlander Jan van der Heijden (ook uitvinder van de brandspuit) heeft een olielamp uitgevonden die niet meer lekte. Daardoor konden in 1663 voor het eerst goed werkende straatlantaarns geplaatst worden. De lantaarnopsteker kwam elke avond langs om ze aan te steken en ’s ochtends om ze weer te doven. Overdag moest hij ze schoonmaken en vullen met raapolie . Die werd in de oliemolens geslagen uit koolzaad. Vanaf ± 1900 werd er petroleum gebruikt.

  Woldzigt Wikipedia     Paneel  ∆  

 

5.28 BEERWAGEN (STRONTKAR)

Tot in de 19e eeuw gooide men zijn emmer met poep gewoon in de gracht of in de beerput. Omdat het zo vreselijk stonk in de steden en omdat er vaak besmettelijke ziektes voorkwamen besloot het gemeentebestuur ten einde raad de poepemmers elke week te laten ophalen met de beerwagen, ook wel strontkar of boldootkar genoemd. Boldoot is nog steeds een eau de cologne-merk . Toen er riolering en een WC in elk huis kwam verdween de beerwagen uit het straatbeeld.

 

 

 

         Paneel  ∆  

 

5.29 LUCIFER

Vanaf 1850 zijn er veiligheidslucifers te koop.

Rond 1930 werd de benzineaansteker op de markt gebracht.

 

                                           Benzineaansteker 

5.30 STOOF

Het is een houten kistje met gaten in de bovenkant en een open
voorkant. In de stoof paste een bakje (test). met daarin
gloeiende kooltjes of turf. Meestal werd het gebruikt om in
de winter de voeten te warmen, maar je kon er ook een pan eten
mee warm houden. De stoof werd zeker al in de 17e eeuw
gebruikt. In veel kerken waren stoven beschikbaar.

 

Rembrandt van Rijn: Heilige familie / Vrouw met stoof                      Paneel  ∆  

 

5.31 KOMPAS

Dit is een Chinese uitvinding uit de 12e eeuw (1100-1200). Via de Arabieren kregen de Portugezen hem in handen en begonnen aan hun ontdekkingsreizen. De kompasnaald wijst altijd het noorden aan. Elk schip had een scheepskompas aan boord en kon de juiste windrichting op de oceaan vinden..

 

 

 

Abel Tasman 1                           Columbus

5.32 POSTKOETS

Alle belangrijke plaatsen in Nederland waren vanaf ongeveer 1600 met elkaar verbonden door postwegen. Hierover konden de postkoetsen (diligences) post(pakketten) en mensen vervoeren. Toen er treinen gingen rijden verdwenen de postkoetsen, maar de wegen bleven en werden soms bestraat met klinkers of kasseien (blokken van natuursteen). De kleinere plaatsen hadden heel lang een slechte verbinding. Iedereen liep, net als in de Middeleeuwen, over een zandpad, soms een kar duwend of trekkend.

 

 

 

 

Liefhebbers van de postkoets anno 2013                                            Paneel  ∆  

Lied: de postkoets door de Selvera's

5.33 TREKSCHUIT

Al rond 1600 voeren de eerste trekschuiten in ons land tussen
de grotere steden. Meestal trok (joeg) een paard langs het
jaagpad de schuit, maar soms moest de schipper of zijn vrouw
en kinderen de schuit trekken. De reizigers zaten in de roef
en maakten het zo gezellig mogelijk met elkaar door te kletsen,
dammen, kaarten enz. De snelheid was ongeveer 7 km per uur.
Het paard ging in een drafje.

 

5.34 DIENSTMEISJE (DIENSTBODE)

Het huishouden in de vorige eeuwen bestond vooral uit de was en strijk doen en het huis netjes houden. Ook moest er eten gekocht en klaargemaakt worden. Die taak was vooral voor de huisvrouw weggelegd. Maar vaak moest de arme huisvrouw daarnaast ook in de fabriek of op het land werken en de kinderen verzorgen en opvoeden! Mensen met veel geld konden zich een dienstmeid veroorloven, soms wel meer dan één. Meestal kwamen de dienstmeisjes van de dorpen rondom de stad. Ze kregen kost en inwoning op een zolderkamertje en een karig loontje. Ze moesten heel hard, gehoorzaam en precies werken. Ze waren meestal dolblij als ze konden trouwen en ontslag kregen, waarna een leven als moeder van veel kinderen in een armoedig huisje begon.

 

Johannes Vermeer: Huisvrouw en dienstmeid      Dienstbodes, rond 1890   Paneel  ∆  


5.35 WC

In de 19e eeuw (1900 - 2000) wilden veel mensen op een nettere manier hun behoeftes doen. Daarom plaatsten ze een houten toilet in huis, meestal in de keuken. Onderin het toilet stond een emmer die wekelijks (2X per week meestal) op straat werd geplaatst en werd geleegd door de man die met de beerwagen langskwam.

 

5.36 ATLAS van BLAEU  

Dankzij betere landkaarten en zeekaarten konden ontdekkingsreizigers en andere zeelieden de weg vinden. De kaarten werden telkens verbeterd.

In de clip van ENTOEN.NU wordt alles verteld.

                                                                                                           Paneel  ∆  

5.37 ONTDEKKINGSREIZEN

Vanaf ongeveer 1590 gingen Nederlandse, maar ook Engelse en andere Europese zeevaarders de wereld buiten Europa verkennen, vooral de overzeese gebieden. Ze hoopten veel geld te kunnen verdienen met de handel in tropische producten en goud en zilver te vinden. Hoe de mensen in die landen het vonden was voor hen niet belangrijk. In de clip van ENTOEN.NU wordt alles verteld.

 

   NTR 1 NTR 2                                                                                  Paneel  ∆  

5.38 SLEPERS, HAVEN

Al in de Middeleeuwen waren er havens in Nederland.
Dordrecht is een van de oudste havensteden en ook de
Hanzesteden zijn bekend. De VOC en de graan- en
houtschepen die naar Rusland en Scandinavië voeren
hadden steeds grotere en betere havens nodig.
Eerst Amsterdam en later Rotterdam ontwikkelden
zich tot enorme havens. Tot ± 1920 werden alle goederen
nog met handkracht en paardenkracht naar de pakhuizen
vervoerd.

 

5.39 STOOMBOOT

Na 1820 werden er in Engeland de eerste stoomboten
gebouwd, later ook op de Nederlandse werven. Net als
de stoomtrein vonden de mensen een mechanisch vaartuig
wonderbaarlijk. In de loop der jaren verdwenen de houten
zeilschepen uit de havens en werden ze vervangen door de
ijzeren stoomschepen.

                                                                                                            Paneel  ∆  

5.40 POSTZEGEL

In 1799 ging de Nederlandse staat de post beheren.
Er kwamen ook postkantoren. In 1852 werden de eerste
Nederlandse postzegels uitgegeven naar Engels voorbeeld.
Als je een brief wilde versturen moest je een postzegel
kopen bij het postkantoor en die erop plakken. Voor die tijd
werden er ook brieven verstuurd, maar dan moest de
ontvanger betalen. Het nieuwe systeem was eerlijker en
makkelijker.

 

   Postzegels                             Catalogus NVPH       Wereldcatalogus

 

5.41 ELEKTRICITEIT

Rond 1830 ontdekte de Engelsman Faraday dat een tussen magneten ronddraaiende spoel van koperdraad een elektrische stroom opwekte. De dynamo was uitgevonden. In een elektriciteitscentrale staan tegenwoordig reusachtige dynamo’s (generators) die hoogspanning leveren. Deze werden en worden nog steeds aangedreven door stoommachines. Tegenwoordig gebruikt men ook kernenergie (Borssele). Er wordt hard gewerkt aan zonne- en windenergie. Langs hoogspanningskabels wordt de elektrische stroom verdeeld over het land.

   De elektriciteitscentrale Kinderdijk. www.widgets.rijksdienstvoorhetcultureelerfgoed.nl

NTR                                                                            Paneel  ∆  

 

5.42 FOTOGRAFIE

Rond 1840 werd de fotografie uitgevonden door o.a. de
Fransman Daguerre. Een fototoestel was heel duur.
Als je een foto wilde moest je naar de fotograaf.
Eén van de bekendste Nederlandse fotografen was
Israël David Kiek. Hij maakte o.a. kleine, scherpe
portretfoto’s die al gauw kiekjes genoemd werden.

   

5.43 BANKBILJET

Sommige banken namen goud in bewaring en gaven dan een
wisselbiljet als bewijs. Wisselbiljetten waren veel
makkelijker en veiliger te vervoeren. Vanaf 1814 werden er
in Nederland bankbiljetten uitgegeven. Maar ook de
zogenaamde gouden tientjes bleven lang in gebruik.

                     Paneel  ∆  

Website

 

5.44 FIETS

Rond 1820 ontstond de loopfiets, van hout. Pas in 1865
werd de eerste fiets met trappers gebouwd. Die zaten aan
het voorwiel. Om snelheid te maken moest het voorwiel heel
groot zijn. In 1885 kwam de eerste fiets met
kettingaandrijving en luchtbanden op de markt. Een fiets
wordt ook wel rijwiel genoemd en vroeger velocipède
(vlugge voet). Het woord fiets schijnt uit Duitsland
afkomstig te zijn, waar het een Vicepferd(= vervangend paard),
spreek uit als Vietz, genoemd werd. Op de Veluwe echter
woonde vroeger een rijwielverkoper die Viets heette.

 

Historische fietsoptocht Norg                            Fietsmuseum            Paneel  ∆  

5.45 BEDSTEE

De huizen vroeger waren in de winter heel koud, vooral
’s nachts. Vanaf de zestiende eeuw (1500-1600) gingen
sommige mensen een bedstede in hun woonkamer maken.
Het was gewoon een grote kast met een matras erin en
deuren ervoor. Die hielden de warmte vast. Hij was nogal
kort, want men ging niet liggen, maar sliep half zittend.
Een liggend mens was bijna dood, dacht men. Onder de
bedstede waren soms één of twee lades. Daarin konden
de kinderen mooi slapen.

5.46 HERAUT

Toen de eerste wereldoorlog uitbrak in 1914 gingen er nog
herauten te paard in de Nederlandse steden rond om het
de mensen te vertellen ('Boeren, burgers en buitenlui hoort,
en zegt het voort'). Eeuwenlang waren zij de boodschappers
van de regering. Zij hadden een trompet bij zich om de
aandacht te trekken. Van de mensen werd verwacht dat
zij het nieuws aan elkaar doorvertelden.

                                      Paneel  ∆  

 

5.47 BLOEMBOLLEN - TULPENMANIA

In de 16e eeuw (1500-1600) werd de wilde tulp in de
Turkse bergen ontdekt. Men kon er makkelijk mee kweken
en al spoedig ontstonden er allerlei kleuren en vormen.
Vooral rijke mensen waren er verzot op en wilden ermee
pronken. Rond 1630 werden tulpenbollen steeds duurder.
Een mooie bol werd soms voor meer dan 1000 gulden verkocht,
de prijs van een huis in die tijd. In 1637 zakte de handel
ineens in en was een bol haast niets meer waard, waardoor
sommigen die dachten rijk te zijn ineens diep in de armoede
zaten. De mensen hadden het wel weer gezien.
Tulpen werden ook op schilderijen en tegels afgebeeld.

   

                                                                    Paneel  ∆  

5.48 BAROMETER THERMOMETER

Met een barometer kun je de luchtdruk meten. Bij hoge luchtdruk wordt het mooi weer, bij lage luchtdruk verwacht men storm en regen. De eerste barometer kwam rond 1650 op de markt. Hij bestond uit een glazen buis die met kwik gevuld was. Op de schaal erachter kon je zien of de kwikkolom steeg of daalde met het stijgen of dalen van de luchtdruk. Voortaan kon men enigszins het weer voorspellen. Dat was makkelijk voor de boeren en zeelieden. De Duitser Fahrenheit vond de thermometer uit. Hiermee kun je de temperatuur meten.

In de 19e eeuw (1800-1900) begon men met het meten van de lichaamstemperatuur bij een zieke, eerst door een
thermometer in zijn mond te stoppen. Later ontdekte men
dat de meting nauwkeuriger was als die rectaal (in je achterwerk)
gedaan werd.
Tegenwoordig hoef je de digitale thermometer maar in je oor
te doen en de temperatuur is op de display in tiende graden
af te lezen.

   

            Barometer           Thermometer    Koortsthermometer       Paneel  ∆  

 

5.49 SCHOOL

Pas in de 19e eeuw (1800 - 1900) gingen de meeste kinderen regelmatig naar school.

Daarvòòr moesten ze al jong werken op het land of bij een baas. Dikwijls bestond de school uit één lokaal met alle leeftijden door elkaar. De meester wist ook niet zo veel, maar was wel superstreng. Ook had hij allerlei bijbaantjes als voorzanger in de kerk, begrafenisleider, koster. Vaak kreeg hij een grote moestuin om zijn eigen groente / aardappels te verbouwen.

 

 

 

Schoolplaat Cornelis Jetses                                                               Paneel  ∆  

 NTR  C.Jetses  Docukit  Youtube

5.50 TELEGRAAF

In 1843 werd de elektrische telegraaf uitgevonden. Met een seinsleutel werden (morse)tekens langs een metalen draad overgeseind naar een verder gelegen plek waar ze werden ontcijferd en opgeschreven. In 1910 kon de telegrafist draadloos seinen via radiogolven. In 1920 was het mogelijk telegrammen te versturen naar schepen op zee en naar Indië.

De ontvangende telegrafist gaf het bericht aan een telegrambesteller. Die bezorgde het telegram bij de geadresseerde te paard, per fiets of later per motorfiets.  

 

 

  

 

Telegraaftoestel                                             Telegrafist

 

Seinsleutel                                         Morsealfabet                        Paneel  ∆  

5.51 APOTHEEK

De geneesmiddelen bestonden vooral uit kruiden. Soms helpen die echt, maar vaker bleef de patiënt ziek en meestal ging zij/hij dood.

 

5.52 KWAKZALVER

Zij probeerden op de kermis e.d. de mensen van hun kwalen af te helpen. Daar verkochten ze allerlei middeltjes voor zoals paddenbloed of addergif. Ook trokken ze tanden en kiezen bij de mensen, onverdoofd natuurlijk.

De chirurgijn was een meer serieuze dokter, een 'echte' geneesheer.

                        Paneel  ∆  

 

5.53 POPPENKAST

Vroeger konden de meeste mensen niet lezen.
Poppenkastspelers maakten mooie toneelstukjes met
zelfgemaakte poppen om de mensen in te lichten over
gebeurtenissen in het land of de stad en om ze te amuseren.
Vaak werd er hard gelachen.
De bekendste poppenkastfiguren zijn Jan Klaassen en Katrijn,
afkomstig uit Amsterdam in de 17e eeuw (1600-1700).

  Filmpje  NTR

 

5.54 BELLEN BLAZEN  

Kinderen hadden vroeger nauwelijks speelgoed. Ze vermaakten zich buiten met kinderspelletjes en soms hadden ze een pop of een stokpaard. Pas vanaf 1700 zijn er speelgoedmakers, maar het was alleen betaalbaar voor de rijke mensen.

 

NTR                                                                                  Paneel  ∆  
5.55 METRIEK STELSEL
Tot ongeveer 1800 maten alle Europeanen met oeroude
gewichten, soms nog uit de Romeinse tijd en misschien
daarvoor. Men kende lengte- en  inhoudsmaten zoals pond,
ons, el, duim, bunder en mud. In elke stad verschilden die
maten van elkaar en er was weinig logica. Deze namen
worden nog wel gebruikt in de volkstaal, maar winkeliers
mogen ze niet meer hanteren.
In 1795 veroverde de Franse keizer Napoleon ons land.
De Fransen hadden een nieuw systeem bedacht, dat werkte
met telkens tien keer zoveel / zo weinig. Voortaan moest
er gewogen en gemeten worden met het metriek stelsel.
De standaard was de meter die verdeeld werd in 10 dm of
100 cm. 1000 m heette een kilometer. Een kubieke dm (dm3)
water weegt een kilogram. 1/1000 kg = weer 1 gram.
Later kwamen daar nog maten als micrometer en nanometer bij.

Website

 

5.56 TANGVERLOSSING
Uit Wikipedia:
De tang wordt zo aangelegd dat de gebogen lepels als een
mutsje over beide oren van het kind liggen. Overal wordt
gelijkmatige druk uitgeoefend. Knijpen is dus uit den boze.
Als de dokter er zeker van is dat de tang goed zit en hij
niets forceert, legt hij ook zijn andere hand om de greep
van de tang en trekt heel langzaam en voorzichtig het hoofdje
van het kind tevoorschijn.
Een bevalling kent drie stadia: de ontsluiting, de uitdrijving,
en de periode na de geboorte. Tijdens de ontsluitingsfase gaat de baarmoedermond open door steeds krachtiger wordende weeën.
De verloskundige of arts bepaalt de mate van ontsluiting door
inwendig onderzoek. Bij een volledige ontsluiting is de
baarmoedermond helemaal open. Het hoofd daalt dan verder in.
 
Uit www.gezondheid.be:
"Tijdens de weeën krijgt u meestal in toenemende mate het
gevoel mee te moeten persen en begint de uitdrijvingsfase die
eindigt met de geboorte van uw kind. Een tang of
vacuümverlossing kan plaatsvinden tijdens de tweede fase;
de uitdrijvingsfase. Het is noodzakelijk dat het hoofd diep
genoeg in het bekken is ingedaald.
De belangrijkste redenen voor een tang- of een
vacuümverlossing zijn het niet snel genoeg gaan van de
uitdrijving en/of een mogelijk zuurstoftekort bij het kind.
Een enkele keer kan een zwangere vrouw niet of slechts kort
persen, bijvoorbeeld wegens gezondheidsproblemen van hart
of longen.
Zeker bij een eerste bevalling komt het regelmatig voor dat
een baby ondanks krachtig persen niet spontaan geboren wordt.
Soms is het kind aan de forse kant of is de stand van het hoofd
zodanig dat het bekken niet gemakkelijk gepasseerd kan worden.
In veel gevallen zijn de weeën niet sterk genoeg of zwakken ze
tijdens de bevalling af. Moeheid en gebrek aan kracht kunnen
ook een rol spelen. Vaak is er een combinatie van factoren.
Bovendien neemt naarmate het persen langer duurt de kans
toe dat de conditie van het kind achteruitgaat. Degene die uw
bevalling begeleidt, adviseert dan hulp om uw kind geboren te
laten worden. De ervaring leert dat de meeste vrouwen tegen
die tijd hulp als een opluchting ervaren."

             Paneel  ∆  

5.57 KINDERBOEK
De eerste echte kinderboeken waren geschreven om kinderen
te leren lezen. Het waren de zgn. hanenboekjes. De eerste
schrijver die een kinderboek schreef was Hiëronymus van Alphen
met bijv. Jantje zag eens pruimen hangen Website.
In Engeland werden leuke kinderboeken geschreven die soms
vertaald werden in het Nederlands. Heel bekende kinderboeken
uit het begin van de 20e eeuw zijn Dik Trom en Pietje Bell.
Latere bekende schrijvers zijn bijvoorbeeld Dick Laan, Annie M.G.Schmidt, J. en P. Nowee, Leonard Roggeveen, H. de Roos,
Thea Beckmann en Jaques Vriens Vanaf ongeveer 1930 kwamen
er ook stripverhalen.

    Annie M.G. Schmidt    

  Kinderboeken
5.58 ZEEBAD
In de 19e eeuw (1800-1900) gingen rijke mensen weleens op
vakantie. Badplaatsen werden heel geliefd, want de artsen
schreven zeebaden en zeelucht voor als iemand ziek was.
Het waren oorspronkelijk bijna allemaal vissersdorpjes.
Van lieverlee werden er hotels gebouwd en sommige slimme
vissers begonnen met een badkoets de gasten de zee in te
rijden. Want het was niet deftig om met je badpak zomaar
de zee in te lopen. En het was heel onfatsoenlijk om je op het
strand om te kleden. Ook waren er badhokjes te vinden voor
de mensen met iets minder geld. Bekende badplaatsen werden o.a. Scheveningen, Zandvoort, Katwijk, Egmond, Domburg.

 

                                                                          Paneel  ∆  

5.59 WINDMOLEN

Vanaf ongeveer 1600 worden er tal van grote, ondiepe meren in vooral Noord Holland drooggelegd met behulp van windmolens (watermolen). Op de drooggevallen bodem werden weilanden voor het vee aangelegd. Bekende droogmakerijen zijn: Beemster

Windmolens werden ook als graanmolen of oliemolen gebruikt. In iedere plaats stond er minstens één.

In de clip van ENTOEN.NU wordt alles verteld.

 

 

 

  NTR 1  NTR 2  Website

 

5.60 GRACHTENHUIZEN

Na 1600 kwamen er steeds meer mensen in Amsterdam wonen. Het was nodig veel huizen te bouwen. Die kwamen buiten de wallen en verdedigingsgrachten te liggen. Voor de gewone mensen werd de wijk de Jordaan gebouwd en voor de rijken ontstond de grachtengordel. Dat waren grote en prachtige koopmanwoningen met soms een pakhuis erbij. De grachtengordel staat op de lijst van het werelderfgoed.

In de clip van ENTOEN.NU wordt alles verteld.

 

 

 

    NTR 1NTR 2   Paneel  ∆  

5.61 STATENBIJBEL

In 1637 was de vertaling van de Bijbel in het Hollands klaar. Iedereen kon er nu in lezen als je tenminste kon lezen. Zo'n bijbel kostte natuurlijk wel veel. Sommige mensen hadden verder geen boek in huis, alleen de bijbel. Voorin de Bijbel, op het schutblad schreven mensen vaak data van geboorte, huwelijk en dood in de familie. Hij werd doorgegeven aan één van de kinderen. In sommige families is er nog zo'n eeuwenoude familiebijbel aanwezig.

In de clip van ENTOEN.NU wordt alles verteld.

 

5.62 SCHILDERKUNST

Al in de Romeinse tijd werden er landschapschilderijen en portretten vervaardigd. In de late Middeleeuwen leefde de schilderkunst weer op. Jeroen Bosch, Jan van Eijck en vele anderen schilderden vooral voor de kerk. Pas in de Gouden eeuw (1600-1700) en later lieten rijke mensen mooie schilderijen maken om in huis op te hangen. Heel bekend werden Rembrandt van Rijn, Johannes Vermeer en vele andere schilders uit de Gouden eeuw. Later, in de 19e eeuw (1800-1900) werd bijvoorbeeld Vincent van Gogh, na zijn dood, wereldberoemd. Elke schilder werd opgeleid door een meesterschilder. Er ontstonden af en toe nieuwe manieren van schilderen (stijlen). Vincent van Gogh schilderde bijvoorbeeld impressionistisch.

In de clip van ENTOEN.NU wordt alles verteld.

Webart Gallery Engelse website met heel veel keus.

 

                           Paneel  ∆  

 

Schilder aan het werk: Johannes Vermeer

NTR 1 NTR 2 NTR 3       Paneel  ∆  

5.63 BUITENHUIZEN

Behalve een mooi huis in de Amsterdamse grachtengordel wilden sommige heel rijke mensen ook nog een buitenhuis om in de zomer te vertoeven, het liefst aan het riviertje de Vecht. Hier staan nog steeds veel prachtige buitenhuizen.

 In de clip van ENTOEN.NU wordt alles verteld.

  

NTR 1  NTR 2  NTR 3

5.64 PLANETARIUM

Eise  Eisinga wilde zijn stadsgenoten in Franeker uitleggen hoe ons planetenstelsel in elkaar zit. Jarenlang heeft hij gewerkt aan zijn planetarium dat nog steeds bestaat.

 

5.65 STOOMTREIN

Ontsnappende stoom heeft een grote kracht. Stoommachines konden allerlei andere machines aandrijven, net als tegenwoordig een moderne elektromotor. Alleen gaf het veel rook en stof. En er moest altijd veel steenkool in voorraad zijn. Stokers moesten ervoor zorgen dat het vuur bleef branden.

 

                                                            STAR stoomtrein Stadskanaal     Paneel  ∆  

  Filmpje

 

5.66 NEDERLANDS INDIË

De deelnemende handelaren van de V.O.C. en na 1800, de handelaren in Indische producten, verdienden heel veel geld. Ze kochten bijna allemaal een mooi pand aan één van de grachten van Amsterdam en soms nog een buitenplaats aan de Vecht. Deze huizen werden heel kostbaar ingericht. De schrijver Eduard Douwes Dekker proteteerde tegen de uitbuiting van de mensen uit Indië. Hij noemde zichzelf Multatuli (= veel geleden in het Latijn), want zijn acties werden niet gewaardeerd door de handelaren en ze zaten hem dwars waar ze maar konden. Zijn boek de Max Havelaar is ongeveer het bekendste boek (roman) van Nederland.

 

 

 

       

Door de handel rijk geworden, bouwde men een huis aan de grachtengordel

NTR 1 NTR 2  NTR 3  NTR 4  NTR 5  Website                                  Paneel  ∆  

5.67 KINDERARBEID

Alle eeuwen hebben kinderen al vanaf minstens hun zesde jaar moeten meewerken in huis, op het land en later ook in werkplaatsen en fabrieken.

 




 

NU !  NTR

5.68  VROUWENEMANCIPATIE

Aletta Jacobs kwam uit Groningen. Zij was de eerste
vrouwelijke student aan de universiteit daar.
Zij wilde per sé arts worden, ook al wilden de mannen haar
ervan afhouden. Zij kon maar beter gewoon huisvrouw worden.
Niet dus! Zij studeerde af en werd de eerste vrouwelijke
huisarts in Nederland. Zij was een voorbeeld voor vele andere
vrouwen om ook te gaan studeren en op te komen voor hun rechten.

Aletta Jacobs                                                                 Paneel  ∆  

Terug naar begin 

Paneel 6:                   AUTOMATISERING DIGITALISERING


6.01
Zuidvruchten
6.02
Tomaten-
teelt
6.03
Verpakte
Chips
6.04
Patat
Frites
6.05
Weck
6.06
Blik
6.07
Gebits-
verzorging
6.08
Diepvries
Koeling
6.09
IJs
  6.21
Maïs
6.17
Melkrobot
6.16
Maai-
dorser
6.15
Tractor
6.14
Kunst-
mest
6.13
Glas-
tuinbouw
6.12
Supermarkt
6.11
Magnetron
6.10
Fris-
drank
boy161.gif 6.18
Naai-
machine
6.19
Elektrische
wasmachine
6.20
Rits
6.24
Hoog-
bouw
6.25
Steen-
kool
6.26
Gemeente-
reiniging
6.27
Water-
leiding
6.28
Toilet-
papier
6.29
Gas
fabriek
6.30
Riool
6.31
Gloei-
lamp
6.35
Telefoon
              6.42
Schrijf-
machine
6.41
Radio
6.36
Douche
CHARIOT.gif 6.22
Ketting-
zaag
6.23
Schone
energie
6.32
Batterij
6.33
Computer
6.34
Internet
6.37
Elektrische
trein
6.38
Vlieg-
tuig
6.40
Auto-
mobiel
6.43
Motor
  6.52
GPS
satelliet
6.51
Elektr.
auto
6.50
Mob.
telefonie
6.49
TGV
6.48
Olieprod.
platform
6.47
Snelweg
6.46
Atoom-
kracht
6.45
H.A.L.
6.44
Lopende
band
  6.53
Ruimte-
onderzoek
6.54
Straal-
vliegtuig
             
6.39
Film
6.55
Leerplicht
Leesplank
6.56
Speelgoed
meisjes
6.57
Strip-
verhaal
6.58
Speelgoed
jongens
6.59
Vulpen
Balpen
6.60
Voetbal-
stadion
6.61
Straat-
sport
 
6.62
Keizer-
snee
6.63
School-
arts
6.64
Anti-
biotica
6.65
Geboort-
regeling
6.66
DNA
6.67
Voren-
patroon

6.69
Spoor-
rails

6.70
Asfalt-
weg
6.73
Schoor-
steen
6.74
Kielzog
CANON 6.68
Tablet
6.71
Televisie
6.72
Container-
vaart
6.75
Euro


6.01  ZUIDVRUCHTEN
Oorspronkelijk werden met dit woord gedroogde krenten, rozijnen, vijgen en abrikozen uit het Middellandse zeegebied bedoeld. De eerste sinaasappels werden al omstreeks 1500 door de Portugezen uit China meegebracht (China's appelen). De bomen bleken prima te groeien in Spanje en Portugal. Bananen werden aangetroffen in West Afrika en in Indië. Bananenplanten werden overgebracht naar Zuid- en Midden Amerika, waar nu enorme plantages zijn. Vanaf 1920 is de handel in zuidvruchten pas echt groot geworden. Bananen worden verpakt in de bekende bananendozen per schip naar Rotterdam vervoerd en per vrachtwagen verder het land in getransporteerd net als sinaasappels uit Spanje. Andere zuidvruchten als kiwi en mango (vanaf ± 1970) worden vaak per koelschip aangevoerd. Ook kan het voorkomen dat ze onderweg rijpen en dan precies op het goede moment hier arriveren.

http://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/d/de/Bananavarieties.jpg

File:Bananen tanzania.jpg           
Paneel  ∆

6.02  TOMATENTEELT
Al in de 16e eeuw (1500-1600) werden tomatenplanten vanuit Zuid Amerika naar Spanje meegenomen. Eerst wist men niet dat de vruchten eetbaar waren. Die waren toen geel en veel kleiner dan tegenwoordig. Vanaf 1900 gingen veel mensen in Nederland de tomaten eten. In het Westland werden ze verbouwd in kassen. 

http://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/4/4b/Tomaat_bloem_.jpg  Steenwolteelt

6.03  VERPAKTE CHIPS
Aardappelchips of potato chips komen oorspronkelijk uit Noord Amerika. In 1920 ging iemand in Engeland ze ook bakken en in 1958 volgden de Nederlanders. In het begin zat er een klein blauw gedraaid papiertje met wat zout daarin in de zak. Dan moest je dat zout er zelf over strooien. Nu zijn er tal van verschillende soorten en smaken verkrijgbaar.



Website

6.04  PATAT
Al vanaf het jaar 1900 aten de Fransen en de Belgen patat frites. Belgische vluchtelingen in de eerste wereldoorlog leerden de Nederlanders wat patat was. Pas na 1945 gingen de Nederlanders de patat echt waarderen. De patat werd / wordt veel verkocht in (mobiele) snackbars. In 1915 werd de eerste Nederlandse snackbar (cafetaria) in Utrecht geopend. In 1932 werd de eerste automatiek geopend.
                 Paneel  ∆  

6.05  WECK
Rond het jaar 1900 introduceerde de Zwitser Johann Weck de weckpotten. Voor het eerst konden mensen zelf vruchten en groentes lange tijd bewaren door ze kokend heet in een luchtdicht afsluitbare pot te doen. Heel veel huisvrouwen hadden een grote voorraad weckpotten in de kelder staan. Toen de vriezer en de koelkast verschenen raakte het wecken in onbruik. Toch zijn er nog steeds mensen die het volhouden door bijvoorbeeld chutney te maken.
 
Weckketels                                          Weckpotten
6.06  BLIK
Al in de 19e eeuw kon men met behulp van een wals heel dunne staalplaten maken. Dat noemde men blik. De eerste blikken waren heel zwaar en met een dikke wand. Ze werden vooral gebruikt om er bonen en groentes in te bewaren. Vanaf ongeveer 1860 werd de wand dunner en werd de blikopener uitgevonden. Tegenwoordig hebben blikjes altijd een coating van kunststof en soms een lipje om het open te trekken. Voor frisdranken zijn er aluminium blikjes.
             Paneel  ∆  

6.07  GEBITSVERZORGING
De eerste echte tandartsen in Nederland waren er pas in het begin van de 20e eeuw (1900-2000). In het begin moest de de boor trappend met de voet worden aandreven. Maar meestal werden rotte tanden en kiezen getrokken zonder verdoving. Rijke mensen lieten gouden kronen maken. Amalgaam is een mengsel van kwik, zilver en tin. Het was tientallen jaren het meest gebruikte vulmiddel. Tandpasta in tubes is er vanaf ongeveer 1900. Röntgenfoto's worden vanaf dat jaar ook al toegepast. Vanaf 1970 wordt fluoride aangeprezen als goed middel tegen tandbederf. Vroeger waren tandenborstels van hout met dierenharen. 
  
Affiche uit de jaren 1950 - 1960
6.08  DIEPVRIES / KOELING
Vanaf 1600 kon men water bevriezen met behulp van salpeter en consumptie-ijs bereiden. In de 19e eeuw (1800-1900) en het begin van de 20e eeuw (1900-2000) hadden rijke mensen wel een ruimte die koel werd gehouden met grote ijsblokken, die werden geleverd door een ijsman. In strenge winters werden grote ijsblokken uit vijvers gezaagd en in speciale ijskelders zolang mogelijk bewaard. Rond 1920 kwamen de eerste elektrische koelkasten op de markt. Vanaf ongeveer 1960 konden de meeste mensen wel een koelkast betalen.


         
Paneel  ∆               
6.09  IJS
In het begin van de 20e eeuw (1900-2000) werden er overal in Europa ijssalons geopend. Je kon alleen bekertjes of hoorntjes met ijs in verschillende smaken kopen. De ijscoman verkocht de ijsjes met zijn kar. Daarin zaten meestal twee kuipen met ijs en een paar grote ijsblokken. Zowel de ijssalon als de ijscoman werden heel populair. Na ongeveer 1965 werd verpakt ijs ook in de supermarkten verkocht.

 

6.10  FRISDRANK
Voor WO.2 kochten de mensen, meestal alleen bij feesten, wel zogenaamde glazen kogelflesjes met koolzuurhoudend water (spuitwater). Na de oorlog begon men steeds meer priklimonade te drinken, eerst nog flesjes (¼liter) met kroonkurken. In 1957 bedacht iemand het woord frisdrank. Later kwamen er glazen literflessen met beugel of schroefdop en nog later plastic petflessen van 1½ en 2 liter. Glazen flessen waren gevaarlijk, want soms knalde er één uit elkaar.
 http://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/1/14/Image-Codd_bottle.jpg    
 kogelflesje             flesjes met kroonkurk           beugelfles                                                                                                       Paneel  ∆  
6.11  MAGNETRON  
Rond 1940 ontdekte iemand die met radar werkte dat je met microgolven voedsel kon verhitten. Vanaf 1980 kwam de magnetron (microwave in het Engels), steeds meer in gebruik. Mensen vinden het maar wat handig om snel een kant en klare maaltijd klaar te maken.




6.12  SUPERMARKT  
In de eerste helft van de 20e eeuw waren er in Nederland alleen maar kleine winkels te vinden, zoals de melkboer, slager, bakker, groenteboer, kruidenier en drogist. In de steden waren ze op bijna alle straathoeken aanwezig, zodat iedereen lopend de boodschappen deed, sjouwend met zware tassen. De meeste winkeliers woonden achter de winkel in een kleine woning. Veel winkeliers brachten de boodschappen thuis bij de mensen of kwamen langs met een kar, soms getrokken door een paard. Pas omstreeks 1960 werden de eerste zelfbedieningswinkels geopend, overgewaaid uit Amerika. Het waren nog lang geen grote supermarkten, meer te vergelijken met een kleine dorp/buurtsuper zoals je die nu soms ziet in kleine dorpen. Vanaf 1970 ging het snel. Overal werden grote supermarkten geopend en de buurtwinkels verdwenen snel. Vaak werd de winkel veranderd in huiskamer en bij de achterliggende woning getrokken. In sommige wijken zie je dat nog steeds aan de grote ramen van sommige huizen.
 
Zelfbedieningswinkel anno 1960             Ouderwetse bakfiets

 

Bakkerskar                                  Rijdende winkel anno 1980   Paneel  ∆  

6.13  (GLAS)TUINBOUW
Groenten als bonen, kool, uien en bieten werden al eeuwen in groentetuinen geteeld. Rond 1850 werden er in het Westland glazen kassen tegen een muur gebouwd en rond 1900 verrezen de eerste geheel glazen kassen die verwarmd konden worden. In het begin werden er alleen druiven in gekweekt, later volgden tomaten, komkommers en paprika. Tegenwoordig is er een uitgebreid assortiment te vinden, waaronder ook bloemen en kamerplanten. In Aalsmeer en omgeving kweekt men al heel lang vooral bloemen en kamerplanten in kassen.

 
 
Website                                                           Paneel  ∆     
6.14  KUNSTMEST
Vele eeuwen hebben de boeren hun land vruchtbaarder gemaakt met mest van hun eigen vee. In Drenthe werd de schapenmest verzameld uit de potstal. De kudde liep elke dag over de heide met een herder. In de 19e eeuw werd de kunstmest uitgevonden en in de 20e eeuw grootschalig toegepast.
Website

6.15  TRACTOR  
De eerste tractors reden op stoom. Vanaf het begin van de 20e eeuw (1900 - 2000) gingen steeds meer boeren hun trekpaarden inruilen voor een tractor. Na 1950 verdwenen de trekpaarden (bijna) allemaal.


  
NTR                                                           Paneel  ∆                                                                               

6.16  MAAIDORSER  
De akkers in Noord Amerika zijn veel groter dan in Nederland. De Amerikanen vonden de eerste machines uit die gecombineerd konden maaien en dorsen. Die noemden ze de combine. In Nederland werd de landbouwgrond opnieuw verdeeld onder de boeren zodat er hier ook grote akkers ontstonden die geschikt waren voor grote machines (ruilverkaveling) .



 

Film 1  Film 2 

6.17  MELKROBOT   
Op de veeteeltbedrijven is er de laatste 30 jaar heel veel veranderd. Door de toepassing van steeds betere  automatisering kan een boer alleen of met heel weinig personeel het bedrijf gaande houden. De koeien worden automatisch gevoerd en gemolken, de mest geruimd enz.
 



 
Koeien en de melkrobot                                            Paneel  ∆  

    Website Kl. Loo    Landbouw<1960                       
                                                                  Foto's landbouw vóór 1960 P.P.
6.18  NAAIMACHINE  
Vanaf 1850 werd de handbediende en de trapnaaimachine toegepast, eerst door de kleermakers, later ook door de huisvrouwen. Kleren maken ging nu veel sneller. Na 1950 werd de elektrische naaimachine snel populair. Ook brei- en borduurmachines zijn in het gebruik.



 
Filmpje 
6.19  ELEKTRISCHE WASMACHINE  
Tot ongeveer 1950 deden alle huisvrouwen op zondag de was van het hele gezin vast in de week in een grote tobbe of teil. Op maandagmorgen werd elk kledingstuk geschrobd met een borstel op een wasbord met ribbels. Daarna werd de was uitgewrongen, soms door een wringer, en op het balkon of in de tuin opgehangen aan waslijnen en bij slecht weer op droogrekjes voor de kolenkachel. Op dinsdag werd alles dan gestreken. Je snapt wel dat de kinderen niet elke dag een schoon onderbroekje kregen. 's Avonds waren de moeders uitgeput en kapot van de inspanning. Toen de eerste elektrische wasmachines te koop waren kwam er een grote blijdschap over de Nederlandse huisvrouwen. Voortaan zoemde de wasmachine en kon moeder lekker bijkletsen met de buurvrouw.
 
Elektrische wasmachine met wringer             Paneel  ∆                                            
Website
6.20  RITSSLUITING   
Na 1950 verschenen de eerste ritssluitingen in Nederland. Voor die tijd werden alle jassen, blouses en broeken met knopen en knoopsgaten dichtgemaakt. Iedere huisvrouw had een knopendoos. Later kwam het klittenband op de markt.


 
  
  Ritssluiting                                   Ouderwetse knopendoos
6.21  MAÏS
Maïs komt oorspronkelijk uit Midden Amerika. Columbus nam al zaden mee om in Europa te proberen. Het lukte geweldig, alleen nog niet in ons land, want het was hier te koud. Later werden er nieuwe rassen ontwikkeld die eerder rijp waren. Vanaf 1970 werd er steeds meer maïs verbouwd in Nederland. Maïs wordt voor verschillende doeleinden verbouwd: 1. Voedselplant, het meel zit in tortilla's, popcorn, cornflakes en allerlei sauzen, soepen en pap. 2. Veevoer. 3. Energiemaïs wordt in een biovergister omgezet in biogas waarmee elektriciteit wordt opgewekt.

              Paneel  ∆  

6.22  KETTINGZAAG
Eeuwenlang moesten boomstammen in planken en balken gezaagd worden met een trekzaag of een zaag die werd aangedreven door een molen of later een stoommachine. Toen de kettingzaag werd uitgevonden was het veel makkelijker om een boom omver te krijgen en te verwerken. Helaas was het ook mogelijk om in snel tempo een groot bos te vernietigen. In de loop van de 20e eeuw werden er tal van elektrische machines en apparaten uitgevonden.


6.23  SCHONE ENERGIE
Vanaf het begin werd elektriciteit opgewekt in een kolen-, gas- of oliegestookte centrale. In bergachtige gebieden werden stuwmeren aangelegd om met vallend (stromend) water een turbine aan te drijven. Later werden er overal windturbines geplaatst. Groene stroom wordt ook opgewekt door biovergisters, zonnepanelen en afvalverbranding.


 

6.24  HOOGBOUW
Vanaf 1930 verrezen er in de Nederlandse steden steeds meer flatgebouwen. Vooral na 1945 ontstonden er grote wijken met voornamelijk hoogbouw. Het grote voordeel was natuurlijk dat er veel meer mensen konden wonen op een oppervlakte dan wanneer je gewone huizen bouwt. Het nadeel is echter dat de bewoners geen tuin, maar een balkon hebben om buiten te zitten en dat er veel mensen dicht bij elkaar wonen en dat er dus eerder overlast ontstaat. We kunnen portiekflats en galerijflats onderscheiden. Wanneer er twee woonlagen boven elkaar bij dezelfde woning horen die met een trap met elkaar zijn verbonden spreken we van een maissonette.
     
 Nirwanaflat Den Haag (1930)  Flatgebouwen 21e eeuw  Rotterdam       

    
Flatgebouwen A'dam Zuid-oost Bijlmermeer        Galerijflat
Luchtfoto                                                                           Paneel  ∆
6.25  STEENKOOL  
Tot ongeveer 1900 stookten alle Nederlanders hun kachel op hout en turf. Alleen in Zuid Limburg lukte het al eeuwenlang om steenkool uit te graven voor plaatselijk gebruik. Rond 1900 werden de eerste steenkoolmijnen gesticht. Mijnwerkers groeven enorm diepe schachten en gangen uit om de steenkoollagen te bereiken. Elke dag werden ze met liften naar beneden vervoerd om 's avonds roetzwart weer boven te komen. Langs waterwegen en het spoor werd de steenkool vervoerd naar de steden. Ook de stoomtreinen, -schepen en -machines werkten op steenkool en in de steden stonden gasfabrieken die gas uit de steenkool haalden. Iedere woning had een kolenhok. Vanaf 1955 ging men steeds meer over op het gebruik van stookolie, petroleum en later aardgas. In 1974 werden de Staatsmijnen gesloten.

 
 
 
 
Limburgse mijnwerkers                        Schoolplaat steenkoolmijn


 
 
  Kolenkit                          Kolenboer                                 Paneel  ∆
6.26  GEMEENTEREINIGING
Al vóór 1900 werd in de Nederlandse steden het huisvuil opgehaald, met paard en wagen. Er waren toen heel veel paarden op straat. Straatvegers veegden de talloze paardendrollen op, bestemd als mest. Naderhand werden er grote vuilnisauto's in gebruik genomen. In alle gevallen moesten de ophalers met handkracht de emmers ophalen en op de tillift zetten, als die er was. Omdat de mensen ook de as en de sintels van de steenkool uit de kachels in de vuilnisemmer deden heette die ook wel asemmer. In de winter was die dus gauwer vol en dan werd er ook twee keer per week vuilnis opgehaald.
     Straatveger van de Stadsreiniging met zijn...
Vuilnisophaler 1900                         Straatveger anno 1910

          
 Vuilnisverbranding    1912 12 Zinken Vuilnisemmer  anno ± 1950 - 1980      
       
6.27  WATERLEIDING  
In de 19e eeuw (1800-1900) kwamen er nog veel epidemieën van besmettelijke ziektes voor, bijv. cholera, tuberculose en tyfus. Men ontdekte rond 1860 dat vervuild drinkwater een belangrijke oorzaak was. In Amsterdam ging men water oppompen uit de duinen bij Bloemendaal en het per paard en wagen vervoeren. Je kon dan een emmer water kopen voor 1 cent. Later wilden ook de bierbrouwers over schoon drinkwater beschikken en daarom werd er een watertoren gebouwd en een waterleidingnet aangelegd. Rond 1920 was er bijna overal in Nederland kraanwater en hoefde niemand meer naar de pomp te lopen.
                Paneel  ∆
Watertoren Groningen
6.28  TOILETPAPIER
Tot na 1900 gebruikten de meeste mensen een doekje of een spons of gewoon hun vingers (van de linkerhand) om hun achterwerk te af vegen. Met de rechterhand gaf je elkaar een hand immers. Handen wassen werd misschien één keer per dag gedaan. Mensen die zich een krant konden veroorloven knipten die in stroken en dat was al een hele verbetering. Pas rond 1930 werd een rol toiletpapier binnen handbereik normaal.

6.29  GASFABRIEK  
In de 19e eeuw (1800-1900) werd de olielamp en de kaars langzamerhand vervangen door gasverlichting. Iemand vond het kousje uit waardoor de lamp veel helderder en zuiniger ging branden. Een tijd lang was er ook straatverlichting op gas. Het gas werd geproduceerd in de gasfabriek uit bruinkool of steenkool. Ook kon je gas produceren uit olie (plantaardig). In de steden werden er leidingen aangelegd. De mensen konden ook koken op een gasfornuis in plaats van op een hout- of turffornuis. Al rond 1920 werden er ook elektriciteitnetten aangelegd waardoor iedereen gloeilampen ging gebruiken. Wel moest men blijven koken op het gasfornuis. Toen Nederland in de jaren 60 overstapte op aardgas verdwenen de gasfabrieken.
  Een eeuw gaslicht
Gasfabriek                                              Gaslamp                    Paneel  ∆
6.30  RIOOL
De Romeinen bouwden al afvoergoten bij hun latrines (WC's). Bekend is de cloaca maxima in Rome. Pas aan het eind van de 19e eeuw (1800-1900) werden de eerste riolen aangelegd in de grote steden van Europa. Tot het zover was deed men zijn behoeften in een emmer die onder de poepdoos stond. Eerst loosden de riolen nog op de rivier, het kanaal of de zee.

 
 



Rioolwaterzuivering                                                           Paneel  ∆

6.31  GLOEILAMP  
In 1891 richtte Gerard Philips een gloeilampenfabriek op in Eindhoven. Daarvoor waren er ook al andere fabrieken opgericht, maar die hebben niet zo lang bestaan.
 
                                         
               LED verlichting anno 2014
6.32  BATTERIJ
Vanaf 1932 werden de 'Witte Kat' batterijen gemaakt door de fa. Varta. Ze werden vooral gebruikt in zaklantarens en later in draagbare radio's. Na 1950 verschenen er ook andere merken en formaten. In 1990 kwamen de oplaadbare batterijen in de handel. Het gebruik daarvan is goedkoper en veel beter voor het milieu.
 
Koolstofbatterij anno ± 1930 - 1970            Herlaadbaar anno 2013
6.33  COMPUTER / ICT
De eerste computers waren heel groot, duur en alleen aanwezig in universiteiten en bedrijven. Vanaf 1980 veranderde dat. Er kwamen zogenaamde homecomputers die de mensen thuis konden gebruiken. Dertig jaar later is iedereen aan de ICT en het internet. ICT heeft de wereld in korte tijd enorm veranderd.
 





 

 

 
      Paneel  ∆
Homecomputer 1980                         Laptop anno 2013
NTR 1  NTR 2  NTR 3  NTR 4   
6.34  INTERNET
Vanaf 1995 begonnen de mensen in Nederland voorzichtig het Internet te gebruiken. Je had een geschikte computer met modem en een telefoonverbinding nodig.


 
 

6.35  TELEFOON
Meneer Graham Bell vond de telefoon uit. Toen de eerste Nederlanders hem in de steden gingen gebruiken moesten er allemaal kabels in de straten gespannen worden en was er iemand in de centrale nodig om verbinding te maken.
 



   File:Telephone Exchange 1892.jpg 
Telefoon anno 1920          Centrale anno 1920        Telefoon anno 2014

   
6.36  DOUCHE
Pas na 1960 zijn de Nederlanders massaal gaan douchen. Overal werden ergens in huis eenvoudige badkamers geconstrueerd. Meestal ging men vóór die tijd één keer per week baden in een grote teil die met warm water gevuld werd. Wel waren er hier en daar badhuizen met douches.
Vanaf de jaren 1970 werd de sauna steeds populairder en sinds ongeveer anno 2000 nemen steeds meer mensen een bubbelbad in huis.
   
Douche anno 1950          Sauna               Bubbelbad / Jacuzzi Paneel  ∆

 
6.37  ELEKTRISCHE TREIN
In 1924 reden de eerste elektrische treinen in Nederland. Pas in 1958 verdween de laatste stoomtrein. Op spoorlijnen waar geen bovenleiding is rijden dieseltreinen.


 
Elektrische trein "de Blokkendoos"     NS Hispeed
 

  
Sprinter                                            Diesellocomotief

Filmpje                                                                                      Paneel  ∆                          
6.38  VLIEGTUIG
Al in de 19e eeuw (1800-1900) waren er luchtballons. In 1890 ging het eerste zweefvliegtuig de lucht in en in 1903 wisten de gebroeders Wright uit Amerika met een gemotoriseerd de eerste vlucht te maken. In 1909 konden de Nederlanders voor het eerst een vliegtuig bewonderen. De bekendste Nederlandse piloot / vliegtuigbouwer was Anthony Fokker. Omstreeks 1950 verschenen de eerste straalvliegtuigen. Deze hadden geen propellers, maar straalmotoren. Vanaf 1960 breidde luchthaven Schiphol steeds verder uit.
 
 
     
   Filmpje
6.39  FILM
In 1896 werd de eerste film in Nederland vertoond. Al spoedig kon men films bekijken in toneeltheaters en op de kermis. In 1916 werd de eerste bioscoop geopend. Al gauw waren er honderden bioscopen in Nederland. In de studio's in Amerika, Frankrijk, Engeland en Duitsland werd de ene film na de andere uitgebracht. Ze waren allemaal zwart-wit en zonder geluid, maar met teksten tussen de beelden door. Het geluid werd verzorgd door een klein orkestje of een pianist, organist. Later ging de Nederlandse Onderwijs Film (NOF) allerlei films voor het onderwijs uitbrengen. Die konden de scholen dan lenen. Er werden ook wel films afgedraaid in de huiskamer of in een zaaltje als er een feestje was. Vanaf 1930 werd er gesproken in de films en was de vertaling als ondertiteling te lezen. Vanaf 1950 werden er steeds meer kleurenfilms vertoond. Toen de televisie algemeen werd in de jaren 1960 gingen steeds minder mensen naar de bioscoop. Vele verdwenen.
Je kunt nu digitaal een enorm aantal oude films bekijken.
Voor de liefhebber!
 
 
Oude filmprojector                                       Bioscoopzaal

 
NTR 1    NTR 2     NTR 3           Paneel  ∆
6.40  AUTO(MOBIEL)
In 1885 heeft Carl Benz de eerste (driewielige) auto met benzinemotor gebouwd. In Nederland had je de firma's Eysink en Spyker. Na 1900 werden er veel auto's uit het buitenland geïmporteerd. Bekende merken uit het begin van de 20e eeuw waren en zijn soms nog: Opel, Daimler (Mercedes), BMW, DKW, Maybach (Duitsland); Ford (V.S.), Austin, Jaguar, Rolls Royce, Rover, Bentley (Groot Brittannië), Peugeot, Citroën, Renault, Panhard, Simca (Frankrijk)  zijn de meest voorkomende merken. In 1932 werd de van Doorne's Aanhangwagen Fabriek (DAF) opgericht in Eindhoven. Men bouwde vanaf 1949 alleen vrachtauto's. Vanaf 1958 rolde de beroemde DAF variomatic van de lopende band.
Behalve personenauto's werden er vanaf 1890 ook vrachtauto's, bussen en motorfietsen gebouwd.



             

 
                                               
                DAF variomatic anno 1958
Website                                                            
Paneel  ∆
6.41  RADIO  
In 1895 lukte het de Italiaan Marconi om een radioverbinding van enkele kilometers tussen een zender en een ontvanger tot stand te brengen. Hij dankte zijn uitvinding mede aan Nicola Tesla, de uitvinder van de oscillator, om een draaggolf tot stand te brengen. Naderhand zag hij kans om grotere afstanden te overbruggen, zelfs een verbinding tussen Amerika en Engeland tot stand te brengen. In Nederland verzorgde Hanso Idzerda vanuit Den Haag in 1919 de eerste radio-uitzending. Al spoedig waren er twee zenders te beluisteren die uitzonden vanuit Hilversum via de middengolf, elk met een eigen frequentie. Buitenlandse zenders waren vaak te beluisteren via de lange golf en radioverbindingen met schepen op zee gingen via de korte golf.  Ook werden er omroepverenigingen gesticht waar je lid van kon worden. De AVRO, VARA, KRO, NCRV en VPRO zijn de oudste omroepverenigingen. Om uit te zenden heb je een vergunning nodig. Mensen die zonder vergunning radio uitzenden worden piratenzenders genoemd. Een radiotoestel was in het begin heel duur. Ook had je zogenaamde kristalontvangers die je alleen kon horen met een koptelefoon. Anno 2012 kun je (via internet) talloze radiostations van over heel de wereld beluisteren.

  
Eén van de eerste modellen anno 1930   Model anno ± 1960
   

Kristalontvanger                             Squeezebox
  2013       Paneel  ∆

6.42  SCHRIJFMACHINE
In 1873 produceerde de firma Remington de eerste schrijfmachines. Al gauw konden de typistes razendsnel brieven typen met deze uitvinding. Het ging soms zo snel dat de hamertjes met de letters in elkaar bleven haken. Daarom werden de letters die het meest gecombineerd werden aan de randen geplaatst. (QWERTY geheten). Het merkwaardige is dat die volgorde zo bekend is geworden dat de huidige toetsenborden nog steeds qwerty als volgorde hebben.
De meeste schrijfmachines hebben een rol waar een vel papier half omheen gewikkeld wordt en vastgeklemd. Deze rol bevindt zich in een wagen, die men heen en weer kan bewegen. Na het aanslaan van een letter schuift de wagen (samen met rol en papier) een stukje naar links, om plaats te maken voor de volgende letter. Aan het eind van een regel wordt de wagen helemaal terug naar rechts geduwd en gelijktijdig de rol een stukje verdraaid, zodat de volgende regel iets lager op het papier kan worden getypt. Als het inktlint vage letters opleverde moest het vervangen worden. De lettertjes moesten vaak schoongeborsteld worden. Na lange tijd moesten de loden lettertjes soms vervangen worden, omdat ze versleten waren.
 
  File:Schrijfmachine voorbeeld.jpg
Oude schrijfmachine                 Tekst gemaakt met schrijfmachine
Selectric II.jpg   
Elektrische schrijfmachine  anno 1970      Tekstverwerker anno 1980
                                        
6.43  MOTOR
De elektromotor.
In de meeste elektrische apparaten, van een elektrische tandenborstel tot een trein zit een grote of kleine elektromotor. Als je hem aansluit op de juiste spanning gaat die draaien. Hij kan vooruit en achteruit draaien.


De verbrandingsmotor.
Deze motoren zitten vooral in auto's, schepen en vliegtuigen. In de meeste gevallen draait die op benzine, dieselolie of lpg. Vliegtuigmotoren (straalmotoren draaien op kerosine (petroleum). Je kunt tweetakt en viertaktmotoren onderscheiden.

 
Ouderwetse elektromotor                     Elektromotor              Paneel  ∆
  Filmpje
Moderne benzinemotor van een auto (Opel Ecotec)
6.44  LOPENDE BAND
Op de lopende band rollen de producten achter elkaar naar de monteur/arbeider toe. Hij/zij moet dan binnen een bepaalde tijd een handeling verrichten. Daarna gaat het product verder en komt het volgende er alweer aan. De mensen aan de lopende band doen dus de hele dag door dezelfde handeling(en) en zijn daar dus heel goed en snel in. Alleen is het werk dus wel saai. In de loop der jaren worden steeds handelingen door computer gestuurde machines in plaats van door mensen uitgevoerd. Dit noemt men de industriële automatisering.
De eerste lopende band werd neergezet in de Fordfabrieken in Detroit, Amerika.



 


Lopende band bij Philips
Filmpje 1 Filmpje 2                                                   Paneel  ∆
6.45  HOLLAND-AMERIKALIJN 
In 1875 werd de Nieuwe Waterweg geopend. Vanaf dat jaar werd Rotterdam een belangrijke haven en konden grote stoomschepen regelmatig naar de V.S. van Noord Amerika varen. De Nederlandsch-Amerikaansche Stoomvaart-Maatschappij (NASM) ging op de haven van New York varen. In de volksmond heette de maatschappij de Holland Amerika lijn (H.A.L.). Tot 1978, toen iedereen met het vliegtuig ging, hebben duizenden emigranten uit heel Europa gebruik gemaakt van de schepen om zich 'aan de overzijde van de Grote Plas' te vestigen. Toch is de H.A.L. niet verdwenen, want tegenwoordig willen veel mensen graag een cruise maken met de zeeschepen.
          Filmpje
6.46  ATOOMKRACHT
In augustus 1945 vernietigden twee atoombommen de Japanse steden Nagasaki en Hirosjima. De wereld had kennis gemaakt met kernenergie. Kernenergie wordt vanaf de jaren 1950 toegepast om elektriciteit op te wekken. In 1969 werd de eerste kernenergiecentrale in Dodewaard (Gelderland) geopend, in 1973 gevolgd door die in Borssele (Zeeland). In 1997 sloot de centrale in Dodewaard. De reden was dat er vanaf het begin veel mensen tegen kernenergie zijn geweest, omdat het moeilijk is om het afval veilig op te ruimen en omdat bij een ongeluk in de centrale de ramp enorm is. Na de ramp in Tsernobyl (Oekraïne) werd afgezien van nog meer Nederlandse kerncentrales en zo mogelijk de bestaande te sluiten. 
  
Atoom                                               Kernafval                    Paneel  ∆

Kerncentrale Borssele             
6.47  SNELWEG / FILE
In Duitsland en Italië werden voor 1940 al een paar stukken snelweg aangelegd. Pas in 1954 wordt 'Rijksweg 2'tussen Amsterdam en Utrecht in gebruik genomen. Vanaf 1960 tot 1990 werd het autosnelwegennet uitgebreid. Er werden tunnels, viaducten en bruggen gebouwd, waar nodig. Overal verschenen ook tankstations en wegrestaurants. Ook na die tijd tot op heden wordt er nog wel eens een stuk snelweg geopend. Ook werd het autosnelwegennet telkens verbeterd met extra stroken, spitsstroken en matrixborden. De taak van de ANWB werd enorm veel groter. De bewegwijzering, de wegenwacht, de alarmcentrale en de berichtgeving op radio en TV zijn daar voorbeelden van. Op eerste Pinksterdag 1955 ontstond de eerste file op knooppunt Oudenrijn.


 


 
 
 ^  Eerste file in Nederland 29 mei 1955      v                   Paneel  ∆



 
                                                        
Prins Clausplein  Den Haag
                            
Paneel  ∆
  
Wegwijzer anno 1950 
       
     
6.48  OLIEPRODUCTIEPLATFORM
In de bodem van de Noordzee en ook in die van andere zeeën zit soms aardgas en aardolie. Met booreilanden en productieplatforms kan het gas en de olie gewonnen worden. Met olietankers wordt het afgevoerd. Olie uit landen als Irak en Saoedi-Arabië wordt per mammoettanker aangevoerd in de havens van de Maasvlakte / Europoort bij Rotterdam.



 
 
 
Olieproductie-platform                Mammoettanker
  
Maasvlakte havens                        Pernis raffinaderij               
Paneel  ∆
Filmpje
6.49  TGV / HSL
Het spoorwegnet van Nederland is verbonden met dat van België en Duitsland en zo met heel Europa.
In 1981 reed de eerste hoge snelheid trein van Parijs naar Lyon.
In 1994 was de verbinding met Londen via de Kanaaltunnel klaar en in 2009 kon eindelijk de lijn Amsterdam-Schiphol-Rotterdam-Brussel-Parijs worden geopend.
Over speciaal aangelegde rails rijden de TGV-treinen (=Train Grande Vitesse op zijn Frans), ook wel HSL = hoge snelheid lijn genoemd.
Via de Kanaaltunnel kun je ook per trein in Groot Brittannië komen. Andere namen voor de HSL zijn Fyra en Thalys.


  
TGV  / HSL / Thalys / NSHispeed

Bestand:High Speed Railroad Map Europe 2011.svg

6.50  MOBIELE TELEFONIE / SMARTPHONE
Nadat het vaste telefonie in Nederland door bijna iedereen gebruikt werd ontstond de behoefte om ook onderweg met elkaar te kunnen praten. Allereerst was er een systeem voor autotelefonie. Dat werd gebruikt door zakenlieden en door de politie. Vanaf 1993 wordt het GSM netwerk gebruikt. Het systeem werkt met satellieten en grote antennemasten. Iedereen kon met een mobiele telefoon bellen en SMS-berichten versturen mits er bereik was. Pas na 2005 ontwikkelde men smartphones waarmee ook kan worden geïnternet.
 
Mobiele telefoon anno 2000   en anno 2014 (Smartphone)           Paneel  ∆
6.51  ELEKTRISCHE AUTO
Omdat men zeker weet dat de aardolievoorraad eens op raakt en omdat verbrandingsmotoren niet milieuvriendelijk zijn wordt er druk gezocht naar andere energiebronnen om auto's te laten rijden. Elektrische auto's rijden op zware accu's die bij een oplaadpunt geladen kunnen worden. Helaas kost het opwekken van elektriciteit en het produceren van accu's ook veel energie en levert ook milieuschade op. Er wordt ook gewerkt aan motoren die kunnen draaien op waterstofgas, hetgeen totaal niet vervuilend is.

 
Website
6.52  GPS (Global Positioning System) / SATELLIET
Er draaien 32 satellieten of meer in een vaste baan om de aarde. Ze zenden constant signalen uit. Met een GPS kun je dan precies zien waar je je bevindt op de aarde. Met een Tomtom of een ander systeem kun je rijden, fietsen of wandelen en je positie op een landkaart op het scherm zien. Bovendien kun je een bestemming opgeven en dan wijst het apparaat de weg. Met een GPS-toestel kun je ook meedoen aan leuke spelletjes als geo-coaching.

 
6.53  RUIMTEONDERZOEK
Al vanaf de steentijd en de oudheid bestudeerden mensen de baan van de zon en de nachtelijke hemel.
Vanaf de dag dat de telescoop werd uitgevonden begon het ruimteonderzoek pas echt. Steeds beter en groter werden de telescopen tot in 1990 zelfs de Hubble, de telescoop in de ruimte, werd gelanceerd. Maar al vanaf 1957 werden er satellieten in een baan om de aarde gestuurd en later naar de planeten en de zon. In 1969 landden twee astronauten op de maan. Tegenwoordig rijden er marsverkenners over de vlaktes van de planeet Mars. Met o.a. de Very Large Telescope in Chili en met de radiotelescoop in Dwingelo probeert men de geheimen van de ruimte te ontraadselen.
 
 
 
 

 
 

Sterrenstelsel = Melkwegstelsel                                                Paneel  ∆

 
Sterrenhemel van onze Melkweg met ingetekende sterrenbeelden

      

Jupiter                         Maanoppervlak             Hubble telescoop

Website                                                                                                 Paneel  ∆     

6.54  STRAALVLIEGTUIG
De eerste vliegtuigen maakten allemaal gebruik van propellers om vooruit te komen. Na 1945 kwamen de eerste vliegtuigen met een straalmotor in de lucht.
Ook werden vliegtuigen steeds groter.
In een Airbus of Boeing 747 kunnen meer dan 500 passagiers.
Straaljagers vliegen voor de luchtmacht en voor de burgerluchtvaart worden steeds grotere toestellen ingezet.



File:Ohain USAF He 178 page61.jpg  
Eerste straaljager  anno 1940          Starfighter anno 1960


NTR 1 NTR 2 NTR 3
NTR 4 NTR 5
           
6.55  LEERPLICHT / LEESPLANK
In de 19e eeuw en ook daarvoor natuurlijk was het heel normaal dat kinderen vanaf ongeveer zes jaar meehielpen met het werk op de boerderij, maar ook in werkplaatsen en fabrieken.
In 1874 kwam er een wet die verbood het om kinderen onder de twaalf jaar arbeid te laten verrichten in fabrieken e.d. Wel mocht er nog van kinderen verlangd worden te helpen op de boerderij bij bijvoorbeeld aardappels poten / oogsten.
In 1901 kwam de leerplichtwet. Daarin stond dat alle kinderen tot twaalf jaar naar school moesten. Daar moesten ze natuurlijk leren lezen, rekenen en schrijven. Pedagogen als Jan Ligthart en Hendrik Scheepstra spanden zich in om het onderwijs te verbeteren. Het leesplankje werd geïntroduceerd. Dit heeft van 1900 tot 1960 dienst gedaan.

 
 
 


 Website                                                                                        Paneel  ∆


Website


6.56  SPEELGOED MEISJES
Op de schilderijen van Breughel is soms goed te zien dat er kinderen spelen. Soms hebben ze dan een tol of een hoepel. Veel meer speelgoed was er niet. Pas in de 17e eeuw (1600 - 1700) kwam er wat meer speelgoed in de handel , voor de kinderen van rijke ouders dus.
Er werd onderscheid gemaakt tussen jongens- en meisjesspeelgoed. Meisjes kregen vooral poppen, poppenhuizen, borduursetjes en fornuisjes.
De meeste poppen waren lappenpoppen, vaak door moeder of oma zelf gemaakt. Kinderen van rijke ouders kregen een pop met een hoofd van schildpaddenschild. Er was nog geen plastic. Ook waren er wel poppen met een houten hoofd of van papier-maché.
Vanaf 1960 kregen veel meisjes barbiepoppen en later
baby-bornpoppen.
    

                                                                                      
Paneel  ∆
6.57  STRIPVERHAAL
Al in de Middeleeuwen werden er spotprenten gemaakt, soms met onderstaande teksten. In het begin van de 20e eeuw (1900 - 2000) gingen steeds meer kranten en tijdschriften strips publiceren. In 1946 verscheen het eerste Kuifjesalbum in ons land en in 1952 kwam de Donald Duck uit Amerika in een Nederlandse uitgave. Naderhand verscheen de ene strip na de andere. Op de website is een prachtig overzicht te bewonderen.


 
    
                             
     Kuifje                     Heer Bommel en Tom Poes 
  
6.58  SPEELGOED JONGENS
In de 19e en 20e eeuw werd er speciaal meisjesspeelgoed verkocht  om de meisjes voor te bereiden op het huishouden. Voor jongens was er o.a. technisch speelgoed als bouwdozen, gereedschapsets, treinen en autootjes en stoommachines. Zij moesten later het brood verdienen met misschien een technisch beroep.


 
 
 
 

 


 
   

     
NTR 1  NTR 2 
Filmpje 1  Filmpje 2  Filmpje 3              Paneel  ∆
6.59  VULPEN / BALPEN
Vanaf 1880 werden er veel vulpennen geproduceerd. Je moest de inkt er zelf indruppelen. Later kwamen er modellen met een pompje. Een goede vulpen had een (namaak) gouden pen. Later was die gewoon van staal gemaakt. Pas rond 1970 kwamen er inktpatronen in de handel.
Na de oorlog (W.O.2 1940-1945) werd de balpen (ballpoint) enorm populair. Eerst waren er alleen modellen met een dop te verkrijgen, later ook die met een druksysteem. Op de scholen mocht vaak geen balpen gebruikt worden door de kinderen, want de juf of meester zeiden dat je dan je handschrift verknoeide. Viltschrijvers en vulpennen werden wel toegestaan en zo verdwenen de kroontjespen, de inktlap en de inktpotjes uit de school.
   BallpointMacro.jpg
6.60  VOETBALSTADION
De Romeinen bouwden al stadions. Pas in 1937 wordt in Rotterdam het eerste Nederlandse voetbalstadion de Kuip gebouwd met overdekte tribunes waar 60.000 toeschouwers op pasten. De andere voetbalclubs speelden op een gewoon voetbalveld met een kleine tribune en staanplaatsen langs de lijn. Natuurlijk bleven andere clubs niet achter en zo kwamen er steeds meer voetbalstadions bij de grote voetbalclubs in Nederland en ook in de rest van de wereld. In 1954 werd het betaalde voetbal ingevoerd in Nederland. Ook voor andere sporten werden stadions gebouwd, bijvoorbeeld Thialf het schaatsstadion in Heerenveen.






 
 
 


 
Website 1  Website 2                                                       Paneel  ∆

6.61  STRAATSPORT /SPELEN
Vanouds speelden kinderen buiten, tenminste als ze daar tijd voor hadden en zin. Want de meeste kinderen moesten hard werken, of thuis helpen als ze uit school kwamen. Hoepelen werd al in de Middeleeuwen gespeeld. Verstoppertje en krijgertje zijn ook al oude spelletjes. Tot ongeveer 1960 waren er nog maar weinig auto's waardoor het niet druk was op straat. Heel veel kinderen speelden buiten. In de jaren 1950 verving de PVC-buis de koperen of ijzeren buis. Deze was heel buigzaam. Een slimme man uit Amerika bedacht de hoelahoep nadat hij kinderen in Australië met een bamboe hoepel had zien spelen. Ook frisbee gooien en badminton zijn straatsporten net als rolschaatsen, steppen en skateboarden. Soms is het op straat veel te druk en heeft de gemeente voor speelveldjes en speelplekken gezorgd. Het is grappig dat sommige (straat)sporten een hype worden, daarna verdwijnen en jaren later opnieuw een hype zijn. Steppen en hoelahoep zijn daar voorbeelden van.
        

      
Hoelahoep                           Filmpje                  Paneel  ∆
   
                                                                         
6.62  KEIZERSNEE
Als de baby te groot is om op natuurlijke wijze geboren te kunnen worden besluit de verloskundige arts om een keizersnede toe te passen. De moeder wordt verdoofd en de baarmoeder wordt opengesneden zodat de baby eruit gehaald kan worden. Vroeger kwam het vaak voor dat de baby klem kwam te zitten in de vagina zodat moeder en kind allebei stierven. De eerste keizersneden waren ook heel riskant, omdat de wond ging ontsteken. Pas in de 20e eeuw (1900 - 2000) werd de keizersnede veel veiliger. Nevenstaand filmpje is een animatie.

 
         
Keizersnede                                      Horizontaal litteken
            
                                         Bovenstaand filmpje is een animatie.
6.63  SCHOOLARTS
In het begin van de 20e eeuw (1900 - 2000) gingen schoolartsen de gezondheid van schoolkinderen onderzoeken. Ook zorgden ze ervoor dat de kinderen werden ingeënt tegen ziekten als de pokken en tbc. Later kwam ook de schooltandarts de scholen bezoeken.
Voor de pasgeboren kinderen en peuters kwam het consultatiebureau.

 
 

 
Filmpje                                                             Paneel  ∆

6.64  ANTIBIOTICA
Vanaf ongeveer 1945 werd penicilline toegepast als medicijn tegen tal van infectieziektes als longontsteking, hersenvliesontsteking en bloedvergiftiging die door schadelijke bacteriën veroorzaakt worden. Het was het eerste antibioticum. Naderhand ontdekte en ontwikkelden de geleerden nog vele andere antibiotica. De patiënt moet precies de aanwijzingen op de verpakking volgen, anders werkt het niet goed. Tegenwoordig komen er steeds meer resistente bacteriën. Dat betekent dat het antibioticum niet goed meer werkt omdat de bacterie zich heeft aangepast en niet meer dood gaat van het medicijn. Vroeger werd het antibioticum, net als andere medicijnen toegediend als poeder uit een zakje of een drankje. Tegenwoordig krijg je meestal capsules.
     
capsules                              cartoon van ziekteverwekkende bacterie
6.65  GEBOORTEREGELING
Vaak willen man en vrouw gemeenschap met elkaar hebben, maar geen kind verwekken. Voor 1960 viel dat nog niet mee en werd de vrouw zwanger zonder het eigenlijk te willen. In de 19e eeuw (1800 - 1900) stierven veel baby's bij of vrij snel na de geboorte, zodat een echtpaar maar één of een paar kinderen overhield van de tien. Maar later, toen de gezondheidszorg veel beter werd, bleven ze bijna allemaal leven. Het gevolg was dat er veel (heel) grote gezinnen waren met soms wel twaalf of meer kinderen. In 1964 kwam de anticonceptiepil (anti-zwangerschap) beschikbaar, maar tot 1969 alleen op recept van de dokter. Een vrouw moet die pil elke dag innemen gedurende drie weken en daarna één week overslaan.
Er is ook een prikpil beschikbaar die twaalf weken werkt en er zijn condooms die de man over zijn piemel moet doen om het sperma op te vangen. Het is ook goed te weten dat je bij gebruik van een condoom elkaar niet met een seksueel overdraagbare aandoening (SOA) kan besmetten.
Voortaan konden een man en vrouw (meestal) zelf bepalen hoeveel kinderen ze willen. Tegenwoordig is het ook mogelijk om een vrouw kunstmatig te bevruchten wanneer het op de gewone manier niet lukt om zwanger te worden.
 
   
Anticonceptiepil                     Condoom                               Paneel  ∆

6.66  DNA
Ons lichaam is opgebouwd uit cellen, Alle levende wezens zijn gevormd door miljoenen cellen. In elke cel zitten diep weggestopt, de kenmerken die je hebt geërfd van je (voor)ouders. Bijvoorbeeld de kleur van je ogen, je huid en je haar, je (muzikale) talent, soms ook een ziekte of je aanleg voor sport, studeren enz. enz. Die kenmerken zijn verpakt in de chromosomen die het DNA (Engelse afkorting van Desoxyribonucleïnezuur) bevatten.



 

 
 

DNA in spiraalvorm, vergroot

NTR 1  NTR 2  Website
6.67  VORENPATROON
Al in de Nieuwe steentijd maakten de mensen de grond open en los om erin te kunnen zaaien. Eerst was het met een stok met een haak aan het eind, later met een eergetouw en een ploeg. In de 21e eeuw (2000 - 2100) gaat de boer (agrariër) met een enorme tractor met daarachter een gigantische ploeg met soms wel zeven bladen over de uitgestrekte akkers, soms wel 100 cm diep. De sporen zijn duidelijk zichtbaar.

 



 


 

Ploegen met de paarden                                                    Paneel  ∆

 
Ploegende boer anno 2013                  Diepgeploegde akkervoren

Filmpje  Website

6.68  TABLET
Na 2010 gingen heel veel mensen een tablet-computer gebruiken. Je kan hem makkelijk meenemen en overal internet gebruiken. Ook de smartphones zijn heel populair. De ontwikkeling gaat razendsnel.

 
 
Website
Surfen met je tablet                                                      Paneel  ∆
6.69  SPOORRAILS
Wie door Nederland reist met auto of fiets komt vroeg of laat bij een spoorweg. Soms moet je wachten tot de trein voorbij is. Het Nederlandse spoorwegennet is het dichtste ter wereld. Dat betekent dat er in niet één land zoveel spoorrails (spoorstaven) zijn aangelegd per vierkante kilometer als in Nederland. Elk groot station heeft een emplacement waar de treinen staan opgesteld voor ze aan de rit beginnen. Ook staan daar soms allerlei locomotieven en goederenwagons om geladen of gelost te worden. Trams rijden eveneens op rails, maar die zien er net even anders uit.
 


 

 
   File:Tram rail.jpg Filmpje
Treinrails met dwarsliggers      Profiel van een tramrail met gleuf

   Website
Treinemplacement in Groningen                                     Paneel  ∆
6.70  ASFALTWEG
Scheepvaarders (Grieken, Feniciërs) in de oudheid gebruikten al asfalt om hun schepen waterdicht te maken. De Romeinen maakten de aquaducten waterdicht met asfalt. Asfaltbeton, zoals het eigenlijk genoemd wordt is vanaf het begin van de 20e eeuw (1900) gebruikt om een mooie weg zonder kuilen en hobbels aan te leggen, zodat je comfortabel kan rijden. Er is behalve gewoon asfalt ook zeer open asfalt (ZOA). Dan kan het regenwater sneller wegstromen. In de winter kan asfalt spiegelglad worden bij ijzel.

 
   
Asfaltweg, spoor in het land        Aanleg van een asfaltweg    Paneel  ∆
6.71  TV
Op 2 oktober 1951 was de eerste Nederlandse televisieuitzending. Tot 1960 hadden nog maar weinig mensen TV. Op woensdagmiddag was er een uitzending voor de kinderen. In veel huiskamers waar een TV stond zaten de buurtkinderen dan op elkaar gepakt te kijken. Ook als er een voetbalwedstrijd werd uitgezonden kwam de hele buurt kijken. In café's stond ook al gauw een TV om klanten te lokken. In de clip van ENTOEN.NU wordt alles verteld.
  
Eerste televisietoestel                         Modernste televisietoestel


NTR 1  Filmpje 1  Filmpje 2  Website  
6.72  CONTAINERVAART / HAVEN VAN ROTTERDAM
In 1963 werd de eerste container in Rotterdam gelost. Vanaf dat jaar ging het snel. Er kwamen steeds grotere containerschepen, -havens, -kranen, -treinen en -trucks.
In de clip van ENTOEN.NU wordt alles verteld.
 
 

 
 
 
   
Gigantisch groot containerschip       Containerhaven Rotterdam  Paneel  ∆


         
Overslagterminal                                       Containertrein Betuweroute
6.73  SCHOORSTEEN
Toen er in Nederland vanaf ongeveer 1840 steeds meer stoommachines, -treinen en -boten kwamen, kwamen er natuurlijk ook steeds meer schoorstenen. Bijna altijd werd er turf, hout en later steenkool verbrand. Dat gaf een enorme roetuitstoot. Er waren geen voorschriften, er werd niks gefilterd. Vlak bij de spoorrails moesten mensen veel stof inademen. In de 21e eeuw zijn er strenge regels en is een schoon milieu heel belangrijk De stoommachines zijn verdwenen, maar ervoor in de plaats zijn er uitlaatgassen gekomen, die door gebruik van de modernste technieken ook minder worden.
   
Rookspoor kerncentrale                    Condensspoor vliegtuig     Paneel  ∆
6.74  KIELZOG
Wie achter op een schip staat kan het spoor dat het schip achterlaat bekijken. Dat heet het kielzog. De enorme machines drijven de schroeven van het schip aan. Die draaien in het water en maken een kolkend spoor. Ook zeilschepen en stoomboten hadden al een kielzog.

Kielzog van oceaanreus
6.75  EURO
Op 1 januari 2002 was de Euro het geldige betaalmiddel in Nederland. De guldenbiljetten en -munten kon je inleveren en er euro's voor in de plaats krijgen. De euro is geldig in de meeste Europese landen. Dat is makkelijk, want vroeger moest je altijd geld wisselen, zoals je dat nog steeds moet als je naar Engeland, Denemarken of Zwitserland gaat. De eurobiljetten kun je ophalen bij een geldautomaat met je bankpasje. De eerste in Nederland werd in 1976 geplaatst. Tegenwoordig maakt iedereen er gebruik van, vroeger kon je alleen geld ophalen bij het bankloket. In de clip van ENTOEN.NU wordt alles verteld.

 
 
                                                                                                       Paneel  ∆

Terug naar begin

Deze website is vervaardigd door H.L. Kouwenberg (Henk) voor gebruik in het onderwijs. Er hoort een tijdbalk bij die vervaardigd kan worden met een groepje vrijwilligers. Er zitten ongeveer 40 uren werk aan vast. Aanvragen op werkdereeuwen@ziggo.nl

Er is naar gestreefd zo veel mogelijk geschikte websites en filmpjes te vinden zonder commercieel oogmerk. Er zijn heel veel voorbeelden van educatieve websites en filmpjes op het internet aangetroffen. Soms is er gebruik gemaakt van een website van een commercieel bedrijf.

Af en toe is er een link naar Wikipedia, echter alleen als er geen geschikt alternatief was. Iedereen kan natuurlijk zelf Wikipedia erop naslaan.

Mocht iemand een afbeelding of link aantreffen waarvan hij / zij meent dat die onrechtmatig is of niet gepast verneem ik dit graag (zie emailadres). Wanneer iemand een link weet die absoluut niet ontbreken mag dan graag een tip.

Met grote dank aan Youtube, NTR, Wikipedia en vele anderen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vierdaagse zeeslag door Willem van de Velde

Scheepswerf door Abraham de Verver

Schepen op zee door onbekende schilder

Schepen op zee 2 door onbekende schilder

Schepen op kalme zee door Willem van de Velde

De Gouden leeuw voor Amsterdam door Willem van de Velde

Haven van Amsterdam door Hendrik Cornelisz. Vroom

Haven van Schiedam door Adam Pynacker

De haven van Middelburg door onbekende schilder

Vervoer in de 17e eeuw door Salomon van Ruysdael

Visafslag op het strand door Cornelis Verbeeck

Zuiderzeehaven door Abraham Storck

              

 Nieuwsbrief 1: 7 oktober 2014              werkdereeuwen.nl                       

Alweer een jaar geleden lanceerde ik de website werkdereeuwen.nl .

Deze is vervaardigd voor mensen met belangstelling voor ons cultureel erfgoed in de breedste zin.

De culturele geschiedenis van ons land heb ik gerangschikt in zes periodes met elk acht dezelfde thema’s (voeding, kleding, wonen, techniek/vervoer, leven en dood, spelen en leren, sporen canon van Nederland). Van wildbraad tot magnetronmaaltijd, van vuurstenen bijl tot kettingzaag, van geweven kleed tot legging enz.

Overal in Nederland zijn gedreven liefhebbers bezig met hun hobby’s als het vervaardigen / onderhouden van oude stoomlocomotieven, zeilschepen, molens, oldtimer auto’s, fietsen, speelgoed enz.

Ook zijn er mensen die zich bezig houden met oude kookrecepten, weef- en borduurwerk, en nog eindeloos veel meer.

Professionals als archeologen, restaurateurs, museumconservatoren en technici maken er hun levenswerk van het erfgoed te bewaren en toegankelijk te maken voor geïnteresseerden.

Op werkdereeuwen.nl kunnen belangstellenden vlot kennis nemen van veel activiteiten door te klikken op links naar zeer veel websites en filmpjes waarop de activiteiten van bovengenoemde mensen te bewonderen zijn.

Onlangs ben ik begonnen met zgn. galerijen toe te voegen.

Op websites als webgalleryofart.com zijn heel veel (onbekende) schilderijen van oude meesters te bewonderen. Het blijkt dat vanaf de 15e eeuw er honderden Nederlandse schilders het dagelijks leven in ons land hebben vastgelegd. Maar weinigen hebben weet daarvan en tot voor kort waren ze ook bijna onbereikbaar, want verspreid bij particuliere verzamelaars en musea over de hele wereld. Ik heb de moeite genomen om veel van deze schilderijen te bekijken en een aantal te rubriceren. Zo zijn er galerijen ontstaan over "In en om het huis", "Stads- en dorpsgezichten", "Winters Nederland" en "Beroep en arbeid". Aan verdere uitbreiding wordt gewerkt. Je komt schilderijen tegen van onbekende meesters met grote kwaliteit en veel details. De beelden geven een inzicht in het leven in vroegere eeuwen. Je vindt de eerste galerijen onderaan periode (paneel) 4. Ze zijn gemaakt met Powerpoint on line. Dat geeft een mooi resultaat. Als je een (gratis) MSN account (outlook / hotmail) hebt kun je ze bekijken. Voor diegenen die geen MSN hebben zijn / worden dezelfde galerijen met fotocollages gepresenteerd (in voorbereiding).

Een andere verandering is de wijziging van het Comic-lettertype in Arial.

Dit zou volgens een deskundige een beter leesbaar lettertype zijn vooral voor mensen met dyslexie.

Graag deze nieuwsbrief doorzenden aan andere geïnteresseerden, b.v.d.

Voor tips en commentaar: werkdereeuwen@ziggo.nl

Met hartelijke groet en  veel surfplezier,

Hendrik Kouwenberg, webmaster

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

      <!--YELLOWTRACKER SCRIPTCODE START-->
<!--
// Het wijzigen van deze code is niet toegestaan en zal uw account definitief blokkeren!
// Account ID : 606192
// Website URL: http://www.werkdereeuwen.nl
// Copyright (C) 2002-2006 YellowTracker.com All Rights Reserved
-->
<div id="YellowTrackerTag"><table border='0' cellpadding='0' cellspacing='0'><tr><td align='center'>
<script type="text/javascript">
<!--
function YellowTracker_Pageview()
{
var d=document;
var sid="606192";
var CONTENTSECTION="";
var osp_URL=d.URL;
var osp_Title=d.title;
var t=new Date();
var p="http"+(d.URL.indexOf('https:')==0?'s':'')+"://stat.yellowtracker.com/stat.aspx?tagver=2&sid="+sid;
p+="&url="+escape(osp_URL);
p+="&ti="+escape(osp_Title);
p+="&section="+escape(CONTENTSECTION);
p+="&rf="+escape(parent==self?document.referrer:top.document.referrer);
p+="&tz="+escape(t.getTimezoneOffset());
p+="&ch="+escape(t.getHours());
p+="&js=1";
p+="&ul="+escape(navigator.appName=="Netscape"?navigator.language:navigator.userLanguage);
if(typeof(screen)=="object"){
p+="&sr="+screen.width+"x"+screen.height;p+="&cd="+screen.colorDepth;
p+="&jo="+(navigator.javaEnabled()?"Yes":"No");
}
d.write('<a href="http://www2.yellowtracker.com/aspx/redirect.aspx" target=_blank><img id="YELLOWTRACKER_TAG" border="0" src="'+p+'" alt="This site tracked by YellowTracker.com. Get your own free site counter."></'+'a>');
}

YellowTracker_Pageview();
//-->
</script>
<noscript>
<a href="http://www.yellowtracker.com"><img border="0" src="http://stat.yellowtracker.com/stat.aspx?tagver=2&amp;sid=606192&amp;js=No&amp;" ALT="Gratis web site teller."></a>
</noscript>
</td></tr><tr><td align='center'><div style="COLOR:black;display:none;FONT-FAMILY:'Verdana';"><a href="http://www.yellowtracker.com" style="text-decoration:none;">site teller</a><br></div></td></tr></table></div>
<!--YELLOWTRACKER SCRIPTCODE END-->